Idealisme is in Spanje niet meer aan de orde

In haar nieuwe film houdt regisseuse Pilar Miró de Spanjaarden een sombere spiegel voor. Wat is er gebleven van de postfranquistische idealen? Ontmoeting met een vrouw, die zelf niet onomstreden is.

MADRID, 11 JUNI. Egoïstisch, stuurloos en somber, met slechts een kleine kans op verbetering. De spiegel die filmregisseuse Pilar Miró (54) Spanje voor houdt in haar film El pajaro de la felicidad - vanaf deze week in Nederland - moet geen onverdeeld genoegen zijn voor haar generatiegenoten. “Ik denk dat we een beetje pessimistisch zijn geworden.” Miró moet er desgevraagd zelf even om lachen. Maar ze herwint snel haar ernst wanneer ze spreekt over de situatie in Spanje: de economische malaise, de om zich heen grijpende corruptie en een regeringspartij, de socialistische PSOE, die nu al jaren een groot deel van de politieke macht monopoliseert. Dat kon toch nooit de bedoeling zijn geweest van de jonge generatie die na de dood van Franco enthousiast begon aan het onherkenbaar transformeren van de maatschappij.

Het verhaal van een vrouw die door het land trekt om in zelfverkozen eenzaamheid de balans van haar leven op te maken, moet volgens Miró vooral gezien worden als een metafoor voor de manier waarop haar eigen eigen generatie stilstaat bij wat uiteindelijk bereikt is. “Het is de generatie van na de burgeroorlog, die opgegroeid is onder Franco en er voor heeft gevochten een einde te maken aan de dictatuur. Die vervolgens in de belangrijke etappe van de transitie (de overgangsperiode naar de democratie) met veel inzet heeft meegewerkt aan de eerste verkiezingen en de nieuwe grondwet. En die nu terugkijkt op alles wat bereikt is: een enorme idealisme dat oorverdovend in elkaar is geklapt.”

Het idealisme van Miró had al eerder wat klappen te verwerken gekregen. Als regisseuse werd Miró in 1979 bekend met de film El crimen de Cuenca. De film vertelt het waar gebeurde verhaal van twee arbeiders op het Spaanse platteland van even na de eeuwwisseling, die na zware marteling worden gedwongen een moord te bekennen en uiteindelijk vrij komen als de werkelijke moordenaar min of meer per ongeluk zijn mond voorbij praat.

De film schokte vanwege zijn nogal expliciet in beeld gebrachte martelscènes, maar vooral vanwege de volstrekte willekeur van het rechtssysteem, dat de meeste Spanjaarden nog vers in het geheugen lag. Dat laatste trof eveneens doel bij de legerautoriteiten, die het script ondanks het tamelijk stipte waarheidsgehalte vooral als een belediging voor de Guardia Civil ervoeren en beslag lieten leggen op de film. Anderhalf jaar later, toen de film uiteindelijk werd vrijgegeven, werd de film in Spanje een overdonderend succes.

Pilar Miró werd daarmee definitief als cultureel paradepaard benut door de PSOE, die het land sinds 1982 regeert. Na een periode als directeur-generaal bij het ministerie van cultuur, waarin ze een meer actieve filmpolitiek trachtte te ontwikkelen, volgde in 1986 de benoeming tot directrice van de nationale radio en televisie, een belangrijke post in de sterk door financiële en partijbelangen beheerste mediawereld. Daar werd haar eigenzinnigheid evenwel niet erg op prijs gesteld. In 1989 werd Miró ontslagen, officieel vanwege een kleine zestigduizend gulden aan kleding en sieraden die ten onrechte gedeclareerd zouden zijn.

“Ik zeg nu eenmaal altijd wat ik denk en niet iedereen stelt dat op prijs,” aldus Miró. In dit geval betrof dit de toenmalige vice-premier Alfonso Guerra, die later het veld moest ruimen wegens een corruptieschandaal waarbij zijn broer betrokken was, maar die nog altijd een belangrijke rol in de PSOE speelt. Grote ruzies tussen Guerra en premier Felipe González over de zeggenschap over de televisie en radio waren volgens Miró - die de zijde van González in het conflict had gekozen - de oorzaak van haar gedwongen vertrek. Miró wil evenwel publiekelijk zwijgen over de ware redenen. “Ik wilde niet de kredietwaardigheid, eenheid en stabiliteit in gevaar brengen van de regering en de partij.”

In de beste tradities van een één-partijstaat volgde er een proces wegens misbruik van gemeenschapsgelden, waarbij de aanklagers op zeker moment zelfs veertien jaar gevangenisstraf zouden eisen. Dat uiteindelijk niet tot vervolging werd over gegaan, kon niet verhinderen dat het sindsdien niet wil boteren tussen Miró en haar vroegere partij. De regisseuse haalde vorige week fel uit naar vroegere strijdgenoten: de PSOE pakt de corruptie in het Spanje niet aan. Sterker nog, er wordt juist ingespeeld op de “laagste instincten”, aldus Miró. Uitspraken die haar weinig in dank werden afgenomen. In de periode van verkiezingen voor het Europees parlement en het bestuur van de onafhankelijke regio Andalusië - een belangrijke graadmeter voor de overlevingskansen van het Spaanse minderheidskabinet - houdt men daar liever de rijen gesloten.

“Het gaat me aan het hart”, verklaart Miró. “Ik maak me zorgen over de PSOE, over de regering en over het land. Maar in deze situatie geloof ik alleen in een drastische oplossing: de PSOE moet weer in de oppositie komen”, meent Miró. “Een partij die twaalf jaar aan het bewind is geweest, is moeilijk te controleren.” Niet dat het vooruitzicht van een regering onder leiding van de rechtse Partido Popular haar nu bijzonder aanspreekt, zelf zal ze op de linkse oppositiecoalitie Izquierda Unida stemmen.

“Maar er zal uiteindelijk niets anders opzitten. Beter dan bevolking met steeds minder vertrouwen in de politiek en een premier die steeds meer overspannen is. De Partido Popular zie ik als een vaccin, een nuttige ziekte die vanzelf weer weg gaat.”

Blijft de vraag wat er nu eigenlijk mis is gegaan. Volgens Miró moet de generatie van de democratische overgang in alle rust en kalmte de tijd nemen voor een grondig zelfonderzoek. “Er is veel gebeurd. Uiteindelijk hebben we wellicht toch te vroeg victorie gejuicht. Misschien is het nog te vroeg om nu al terug te kijken op de recente geschiedenis en hebben we pas later voldoende afstand voor een oordeel. Maar één ding is zeker: we kunnen niemand anders de schuld geven, we dragen zelf verantwoordelijkheid.”