Home Service

Het is een wonderlijke, driedimensionale gewaarwording om een bijna vijftig jaar oud boek met de gebundelde radioreportages van BBC-verslaggever Frank Gillard over de geallieerde invasie van 6 juni 1944 in handen te hebben en om diezelfde verslaggever, een halve eeuw ouder geworden maar nog kaarsrecht, tegelijkertijd voor de BBC zijn verhaal van de landingen te horen navertellen - maar nu op televisie.

Gillards vertrouwenwekkende stem was het keurmerk van de BBC, dat in een groot deel van de wereld de graadmeter van het vrije woord was. Bij zijn eerste kennismaking met het bevrijde zuiden van Nederland kreeg hij van dankbare Eindhovense verzetsmensen een spontaan eerbetoon omdat zijn reportages bij de bezette bevolking in de moeilijkste maanden de moed erin hadden gehouden. In War Report (Londen, 1946), het boek dat zijn titel ontleende aan het gelijknamige radioprogramma dat met ingang van D-Day dagelijks na het avondnieuws van negen uur in de Home Service van de BBC werd uitgezonden, zegt een verzetsman hem: “Uw stem was voor ons de drager van de waarheid en de vrijheid”.

In een van zijn radiobrieven uit Eindhoven gaf Gillard iets weer van de gevoelens die de naar bevrijding snakkende Nederlanders in de oorlogsjaren voor de BBC hadden gekoesterd. “Je moet bij deze bondgenoten van ons hier thuis zijn geweest om te beseffen wat de radio uit Londen in de afgelopen vier jaar voor hen betekend heeft. Van alle kanten is mij verteld dat ze zonder de radio de hoop al lang hadden opgegeven.” De Nederlanders die in de oorlog over een radio beschikten (het toestel niet bij de bezetter hadden ingeleverd, maar op zolder of onder de keldertrap hadden verborgen), luisterden niet alleen naar Radio Oranje, 'de stem van Nederland in Londen', maar ook naar de Home Service. Het was Gillard opgevallen hoeveel Nederlanders Engels verstonden, ook al spraken ze het niet. Zonder op dat moment de draagwijdte van zijn waarneming te kunnen meten, was Gillard er getuige van dat het Engels, dank zij de BBC, zojuist was doorgebroken als wereldtaal.

Frank Gillard liet zich vorige week ter gelegenheid van de herdenking van D-Day in een documentaire van de vroegere chef-correspondent van de BBC-televisie in Washington, Charles Wheeler, ondervragen over de omstandigheden waaronder de oorlogscorrespondenten van de BBC in Normandië en elders in Europa hadden moeten werken. Het gesprek leverde een interessante vergelijking op voor de Nederlandse televisie, waar journalisten van het kaliber-Wheeler onbekend zijn: de iets jongere Wheeler (die in '44 nog niet oud genoeg was om mee te mogen) stelde geen vragen van het type 'Wat ging er door je heen?' maar relevante vragen waaruit zowel militaire kennis als radiohistorische deskundigheid sprak. Die radiohistorie zegt ons hier niet zoveel, maar de radio legde bij de Britse oorlogsproduktie een groot gewicht in de schaal. Een reportage van Wynford Vaughan Thomas uit een bommenwerper boven Berlijn maakte in 1943 zoveel indruk op het congres van de Britse vakbeweging, dat het voor de onmiddellijke verhoging van de produktie stemde. Die ommekeer voltrok zich drie jaar nadat een direct verslag van een 'dogfight' tussen vliegtuigen van de RAF en de Luftwaffe nog een groot schandaal ontketende - omdat de BBC de Battle of Britain volgens de verontwaardigde luisteraars behandelde als een cricketwedstrijd of de paardenrennen.

De verslaggevers die de invasie in Normandië voor de BBC versloegen (en allemaal een grondige militaire training hadden gehad en bij de troepen waren ingedeeld) waren niet zozeer beroemde 'stemmen' als wel vertrouwde, dierbare namen die naarmate de bevrijding dichterbij kwam door het eigen Britse publiek, maar ook door de clandestiene luisteraars in de bezette gebieden als goede bekenden werden beschouwd. Frank Gillard, Chester Wilmot, Richard Dimbleby, Wynford Thomas, Stanley Maxted en Guy Byam (die later samen 'Arnhem' deden) waren met nog vijftien andere verslaggevers van de BBC over heel de wereld bekend, maar ze waren vooral 'household names'. Hun reportages vormden de enige activiteit van de geallieerde vijand die de Duitsers niet tot zwijgen konden brengen.

Gillard c.s. waren gewetensvolle professionals, oorlogscorrespondenten die hun vak verstonden en doordrongen waren van de grote verantwoordelijkheid die op hun schouders drukte. 'Mediasterren' bestonden nog niet. Voor de Engelse luisteraars overbrugden de radioverslaggevers de afstand tussen de burgermaatschappij en de strijdkrachten overzee, voor de luisteraars in de bezette gebieden symboliseerden ze vooral de navelstreng met het leven.

In de werken van dr. L. de Jong (die in de oorlog zelf voor Radio Oranje in Londen werkte) wordt de steun die de BBC voor de bezette gebieden betekende op juiste waarde geschat, maar toch voelt de lezer van zijn boeken niet de natrilling van de sensatie van het verboden luisteren in de bezete gebieden. Alleen al van de aankondiging 'This is War Report in the Home Service of the BBC' gingen niet alleen harten sneller kloppen, maar ook nekharen overeind staan. De schrijvers die op zoek zijn naar de geest van het 'najaar van de ontgoocheling', dat volgde op 'die hete, opwindende zomer van 1944' (de stroom boeken over die tijd is nog lang niet uitgewoed) zullen ook die onzichtbare huiveringen moeten zien te vangen.