Hoge verwachtingen in 1934 niet ingelost

Het eerste wereldkampioenschap waaraan Nederland deelnam, was dat van 1934. Er werden toen nauwelijks oranjepetjes verhandeld en ook de verkoop van sjaals en buttons kon de vergelijking met 60 jaar later in de verste verte niet doorstaan. Maar al was de rol van de commercie te veronachtzamen, er was wel degelijk sprake van euforie in ons land - al was dat woord nog niet tot ons dagelijkse spraakgebruik doorgedrongen. Er was namelijk een landenploeg gegroeid die er zijn mocht, en die in de periode van voorbereiding een paar opmerkelijke prestaties had geleverd.

In 1931 had de toenmalige voorzitter van de KNVB dr. Dirk van Prooye, aan de technische- en keuzecommissie een even korte als niet mis te verstane opdracht verstrekt: “Zorg voor een Nederlands elftal dat wint.” De invloedrijkste en kleurrijkste man uit deze commissie was Karel Lotsy. Een matig-begaafd voetballer in zijn jonge jaren, maar een vaardig bestuurder en organisator, niet vrij van 'showy' trekjes en begaafd spreker - met name als hij niet het risico liep te worden tegengesproken. Hij bevorderde sterk dat het Nederlands elftal een vriendenclub werd en jutte de daarvoor vatbare spelers (niet iedereen was dat) geweldig op, waardoor een zogenaamd “krankzinnig kwartiertje” ontstond, waarin het elftal buiten zijn oevers trad en boven zijn mogelijkheden ging spelen. Minstens zo belangrijk was overigens dat Lotsy de beschikking kreeg over een binnentrio dat tot de beste van Europa ging behoren: Kick Smit van Haarlem als linksbinnen, BepBakhuys van ZAC (later HBS) als midvoor en Leen Vente van Neptunus (later Feyenoord) als rechtsbinnen. Op 11 maart 1934 kregen de weinig-vermoedende Belgen met dit aanvalstrio te maken. Vente scoorde vijfmaal, Bakhuys en Smit ieder tweemaal en al maakten de Belgen er drie, ze kwamen er zes te kort voor een remise. De rest van de Oranje-ploeg was niet van de klasse van de aanval, waarin Frank Wels (van de tweede klasser Unitas) en Kees Mijnders, of Joop van Nellen of Koos van Gelder op de linkervleugel verdienstelijk assisteerden. Van Heel, onze aanvoerder, was een fraaie technicus die de voorhoede van speelbare ballen voorzag, Henk Pellikaan was een nuttige rechtshalf en Wim Anderiesen een hard werkende half-aanvallende spil. Achterin was stoerheid en trapvastheid troef met Mauk Weber en Sjef van Run en tussen de palen stond of de boomlange Adri van Male of de superstevige Leo Halle. Als geheel stond het elftal als een huis.

Toen het om plaatsing voor het WK in Italie ging, waren er nauwelijks problemen. De Belgen verloren in eigen land met 4-2, de Ieren (met in de Engelse competitie spelende profs) gingen met 5-2 voor de bijl en daarmee waren de eindronden bereikt. Toen bekend werd dat Zwitserland onze tegenstander in de eerste ronde in Milaan zou zijn, dacht menig voetbalkenner dat Oranje ver zou komen. Het stoutmoedige lied, dat 'we' naar Rome zouden gaan, waar immers de finale zou worden gespeeld, gaf dan ook aardig aan hoever menigeen dacht dat onze ploeg zou komen. Maar er gingen een paar dingen mis. Allereerst was er die ongelukkig geplande oefenwedstrijd tegen Frankrijk. Binnen het kwartier leidde Oranje met 3-0, maar zorgeloosheid voerde naar een 5-4 nederlaag, die het zelfvertrouwen nogal aantastte. Tweede misser was het gedoe met de keepers. Men vertrouwde noch van Male, noch Halle en greep met kunst en vliegwerk terug op een man die al afscheid had genomen, Van der Meulen. Veel trek had de Haarlemmer niet, maar uiteindelijk reisde hij de ploeg achterna, die aan het Comomeer in trainingskamp was gegaan. Daar verveelde men zich stierlijk. Ook was er ergernis, toen bleek dat Van der Meulen zijn vrouw had meegenomen: de andere spelers zaten zonder.

De grootste vergissing was dat men zich op de kracht van de Zwitsers had verkeken. Die paarden snelle aanvallers (Kielholz, Abegglen) aan uitgekiende verdedigers (Minelli, Weiler), die ons binnentrio danig in de tang namen. De hele wedstrijd liep Oranje achter de Zwitsers aan. Weliswaar scoorden Smit en Vente, maar Oranje verloor met 3-2. Einde van een droom, maar niet van een tijdperk, want ongeveer dezelfde ploeg behaalde nog menig succes tot in de zomer van 1937 Bakhuys prof in Frankrijk werd.