Het boek als zuurdesem van de maatschappij

Boekengekken zijn er in alle soorten en maten: antiquaren, bibliografen, verzamelaars en handelaars. Sinds drie maanden is er een nieuw platform waar ze elkaar kunnen ontmoeten: de Nederlandse Boekhistorische Vereniging. Vandaag presenteert ze op een symposium haar eerste jaarboek.

'Ephemeriden te zijn - kind en grijsaard, vurig gewenscht, verstooten, vergeten op één dag - dat is het lot van onze nieuwsbladen.' In 1881 riepen drie toegewijde heren uit het boekenvak een nieuwe reeks in het leven om de beste artikelen uit hun vaktijdschriften te behoeden voor het lot 'ephemeride' te zijn. Tot aan 1951 zouden er veertien delen verschijnen. Ze waren bestemd voor het boekenvak, geschreven 'door boekverkoopers voor boekverkoopers', maar ze verwierven daarnaast een grote reputatie onder de boekhistorici.

Het re-animeren van deze fundamentele serie is slechts één van de doelstellingen van de piepjonge Nederlandse Boekhistorische Vereniging (NBV): dit duidt op grote ambities. De vermetelste daarvan is wel dat de vereniging die vandaag - drie maanden oud en 200 leden groot - haar eerste jaarboek presenteert, een contactpunt wil zijn voor iedere onderzoeker van het boek in Nederland, ongeacht zijn methode of achtergrond. Door congressen, vergaderingen en jaarboeken hoopt zij haar kring uit te breiden met geïnteresseerde onderzoekers uit andere disciplines, in binnen- en buitenland.

NBV-voorzitter is de Amsterdamse hoogleraar Paul Hoftijzer (1954), een historicus die is gepromoveerd op de Engelse boekhandel in Amsterdam (1637 - 1724). Als student was hij al doordrongen van de mogelijkheden van het clubwezen. Zijn generatie, de eerste die universitair op boekonderzoek was voorbereid, had moeite zich een plek te veroveren in de boekhistorische wereld van dat moment. Dat bleek bijvoorbeeld uit het invloedrijke 'Petrus Scriverius' - een gezelschap bibliothecarissen en antiquaren dat in 1964 mede was opgericht door Universiteitsbibliothecaris van Amsterdam Herman de la Fontaine Verwey. Door een ingewikkeld stelsel van ballotage en stemmingen bleef dit ondoordringbaar voor de jongere generatie academici. Hoftijzer en de zijnen reageerden hier in 1983 op met de oprichting van een nieuw gezelschap, 'Convoluut'.

Hoftijzer: “De boekwetenschap ontwikkelde zich bij ons anders dan in het buitenland. Hier was het aanvankelijk een aangelegenheid van de direct belanghebbenden, de antiquaren. In Engeland, met zijn traditie van 'colleges', kwam men eerder tot clubvorming. De 'Bibliographical Society' die daar in 1892 was opgericht had met zijn tijdschrift, nieuwsbrieven en monografieënreeks een bredere basis. Dat model heeft mij altijd voor ogen gestaan. Het heeft iets eerbiedwaardigs, zo een landelijke kring van belangstellenden.”

In de Nederlandse boekwetenschap lag tot na de Tweede Wereldoorlog het accent op bibliografie in de strikte zin van het woord: het beschrijven van boeken, aanvankelijk ten behoeve van het antiquariaat en later ook van de bibliotheek. De Amsterdamse antiquaar Frederik Muller (1817-1881), volgens Hoftijzer een van de schranderste geesten, die zich ooit met boeken bezig hebben gehouden, zag het belang van dit werk in en liet zijn pamflettenverzameling beschrijven. Het resultaat was de eerste wetenschappelijke bibliografie van Nederland. Ook in onze eeuw ontstonden monumentale bibliografieën, waaronder de beschrijving van alle Nederlandse 'post-incunabelen' (boeken gedrukt tussen 1600 en 1640) die voltooid werd door de formidabele Haagse bibliografe M. Elizabeth Kronenberg (1881-1970).

Pas in de tweede helft van onze eeuw veroverde de boekwetenschap zich een plaats in de academische wereld. De erudiete De la Fontaine Verwey (1903-1989), zelf nota bene een jurist, was hier de grote animator. In 1964 werd hij als eerste benoemd tot hoogleraar in de boekwetenschappen. Hij kende de bibliografie een rol van bescheidener proporties toe. In zijn ruime blik was de boekwetenschap minstens evenzeer gediend met onderzoek naar zaken als papier, illustraties, zetsel, teksteditie, boekband en het drukkersbedrijf - dit alles uiteraard in perspectief van een culturele context die hij zelf uitstekend beheerste. Modelstudies uit deze periode zijn I.H. van Eeghens vijfdelige standaardwerk over de Amsterdamse boekhandel tussen 1680 en 1725 en Hellinga's Kopij en Druk over de transformatie van auteursmanuscript naar drukwerk.

Voor Hoftijzer, die nu dezelfde leerstoel bezet als De la Fontaine Verwey destijds, is echter ook de breedste benadering nog te smal wanneer deze blijft uitgaan van het boek als materieel object. Hij en zijn generatiegenoten in het NBV-bestuur zijn dan ook opgegroeid met de brede perspectieven van Franse 'livre-société'-school waar de maatschappelijke processen van boekproduktie, -distributie en -consumptie centraal staan. Een vertegenwoordiger daarvan is de Amerikaan Robert Darnton met zijn sensationele, alle disciplines doorklievende studies over onder andere de druk en distributie van de clandestiene tweede druk van de beroemde Encyclopédie van Diderot en D'Alembert.

Dat 'breed' en 'ruim' de nieuwe adagia van de boekgeschiedenis zijn, kan ook worden vastgesteld aan de hand van het jaarboek. Zo moet het begrip boek 'breed' worden gezien; de inleiding spreekt van 'plano's, folio's, duodecimo's, vliegende blaadjes, tuinboeken en pocketboeken, boeken in afleveringen en feuilletons, tijdschriften en kranten.' Hoftijzer: “Ik wil niet zeggen dat we de Blaeu-atlas links zullen laten liggen, maar het doorsnee boek wordt in Nederland verwaarloosd. Ons gaat het juist om het gewone boek, het zuurdesem van de maatschappij, in zijn relatie tot de hele culturele context.”

Ook de onderwerpskeuze van de artikelen in het jaarboek - van zeventiende-eeuwse kronieken tot het boek als instrument van de verlichte opvoeding en de opkomst van de openbare leeszaal - getuigt van een brede opzet. Er is plaats voor uiteenlopende opvattingen en methoden. Nog breder is het perspectief dat de redactie voor ogen heeft. De NBV hoopt op een toestroom van boekonderzoekers uit andere disciplines: cultuurhistorici-nieuwe-stijl en bibliografen-oude-stijl, door literatuuronderzoekers, boekhandelshistorici, sociologen, kerkhistorici, pershistorici. In het bestuur zullen andere belangengroepen zitting krijgen: antiquaren, archivarissen, bibliofielen en bibliothecarissen. In dat geval zal de vereniging beter kunnen opkomen voor de belangen van bedreigde boeken. Hoftijzer roemt in deze context de felle brief die de boekhistoricus Bert van Selm in 1988 in de pers deed verschijnen toen de Librije te Gouda haar incunabelen dreigde te verkopen. “Hij vond het een schande om erfgoed te verkwanselen voor de waan van de dag. Zulke zaken moeten gesignaleerd worden. Onze vereniging zou ook een rol kunnen spelen in wat wel genoemd wordt 'de archeologie van het heden'. Het Museum Meermanno-Westreenianum in Den Haag verzamelt het mooie boek. Maar wie verzamelt de pulp die toch ook een wezenlijk onderdeel van onze cultuur is?”