HET BESLUIT VAN MAI (1)

Om vier uur 's nachts staat een hindoestaanse vrouw van vierenvijftig jaar uit te kijken naar de maan, maar de hemel is zwaar bewolkt en ze hoort daar helemaal niet te staan. Ze rilt lichtjes, en ze wikkelt langzaam de dunne sjaal van haar Indiase salwaar om zich heen, maar het zal niet helpen, want de kilte komt van binnen. Wat ze nodig heeft is geen sjaal, maar iemand die een arm om haar heen slaat en haar helpt haar gedachten op een rij te zetten. Ze moet een beslissing nemen, al weet ze niet welke, en niet eens waarom. Was er maar iemand die tegen haar zei dat je de dingen soms moest laten gaan zoals ze gingen. Dat je soms iets kwijtraakte, en toch niet met lege handen achterbleef.

De vrouw staat voor de deur van een enorme hal, ergens in Rotterdam, waar een groot feest wordt gevierd. Waarom ze de diepe dreunen van de drums ontloopt? Ze weet het niet. Ja goed, ze voelt zich een beetje oud tussen al die honderden jongeren die onbekommerd van het leven genieten. Ze is een 'Mai', zoals hindoestanen hun moeders noemen, maar binnen zijn er meer mensen van haar leeftijd, die met hun kinderen zijn meegekomen, in de stille hoop dat ze onder de feestgangers een goede schoonzoon zullen vinden.

Want goede schoonzoons zijn schaars tegenwoordig. De meeste jonge jongens gebruiken drugs en zijn werkloos, zoals die nietsnut van een vriendje van haar dochter. Wat haar dochter in die jongen ziet begrijpt Mai niet. Ze heeft alles geprobeerd om de dochter op andere gedachten te brengen, ze heeft gepraat, ze heeft ruzie gemaakt, ze heeft gedreigd en een keer geslagen.

Ze is zelfs hier gekomen, naar dit dansfeest. Na de grote ruzie in de keuken, waarbij Mai het meisje een klap in het gezicht gaf omdat ze met haar brutale mond had gezegd dat ze met haar vriendje uitging en zij zich er niet mee had te bemoeien, en Mai had geroepen dat ze azijn zou drinken als haar dochter bleef omgaan met die nietsnut, was de dochter snikkend op de grond gezakt, met het lange zwarte haar klevend tegen haar betraande wangen.

“Ik kan niet in m'n eentje naar het feest”, fluisterde ze en Mai kreeg medelijden.

“Ik ga dan met je mee”, zei ze kordaat. Het meisje keek ongelovig, maar zoveel keus had ze niet: of met haar moeder naar het dansfeest of helemaal niet. Maar toen ze vanmiddag haar moeder uit de slaapkamer zag komen, geheel gekleed, schrok ze zich wezenloos.

“Ga je met die kleren?” vroeg ze. Mai keek naar zichzelf. Ze droeg een donkergroene Indiase salwaar, zo'n lange, overvloedig geborduurde jurk met daaronder een nauwe broek van dezelfde stof als de binnenvoering van de jurk.

“Is het niet goed wat ik aan heb”, vroeg ze.

“Mijn god ma”, zei de dochter, en ze stampte met haar lange benen op het versleten vloerkleed, “je lijkt op een... je lijkt op een echte Mai!”

Mai begreep er niets van. Wat bedoelde ze, ze leek op een 'Mai'? Ze was toch een Mai? Maar de dochter bedoelde natuurlijk iets anders. Het woordje 'Mai' kan ook minachtend worden gebruikt, voor een ouderwetse hindoe-vrouw. Daarom noemde de dochter haar nooit 'Mai', op z'n hindoestaans, maar 'ma', op z'n Hollands.

Die gekke meid, dacht ze vertederd, altijd had ze van die dingen. Ze schaamde zich voor haar hindoestaanse afkomst, omdat ze in Nederland geboren was, Mai kon dat best begrijpen. Ze heette Wimla, maar op school liet ze zich Wilma noemen. Door die twee letters om te keren was ze een Hollands meisje geworden, een Hollands meisje met een hindoestaans gezicht.

Een mooi gezicht, dat wel. Dat had ze natuurlijk van haar. Vroeger was ze ook mooi, dat zei iedereen in het district, toen ze nog geen Mai was, maar Bimla werd genoemd. Bimla was het mooiste meisje van de polder. En Bimla had haar dochter, het nakomertje dat in Nederland was geboren, haar eigen naam gegeven, maar ze had de ruw klinkende 'B' vervangen door de zachtere 'W'. Het platte dialect van de hindoestanen in Suriname had ze veranderd in het deftige Hindi dat ze kende van de films.

Nu was Wimla dus boos omdat haar moeder deze salwaar aan had. Wat moest ze anders aantrekken, ze had helemaal geen uitgaanskleren, omdat ze nooit uitging. Een keer per jaar naar een hindoestaanse bruiloft, daarvoor hoefde je niet meer in de kast te hebben dan een salwaar, en dat was deze, die ze nu aanhad om naar het feest te gaan met haar dochter.

Ze riep Wimla uit de kamer. Ze beval haar te gaan zitten en Wimla wist dat het weer tijd was voor die preek: dat ze geen vader had, dat haar vader een nietsnut was geweest die alle dagen dronken thuis kwam en zijn gezin niet verzorgde. Dat haar moeder toen een flink besluit had genomen, als hindoestaanse vrouw: ze was weggelopen met haar kinderen en had echtscheiding aangevraagd, op advies van de maatschappelijk werkster.

Ze had altijd alles gedaan voor haar dochter, ook nu, of dacht ze dat ze zelf zo graag naar het feest wilde? Maar ze peinsde er niet over om ook nog nieuwe kleren te gaan kopen voor deze gelegenheid. Daar was geen geld voor, wat ze had besteedde ze aan Wimla. Omdat Wimla jong en mooi was en de kans had om een lieve man te vinden. Niet zo een die marihuana rookte of de hele dag in een bar rond hing, maar een fatsoenlijke kerel, die anders was dan haar vader. Begreep ze dat?

Wimla keek verveeld naar het plafond.

Op het feest merkte Mai dat Wimla meer moeite had met de kleren van haar moeder dan ze had gedacht. Wimla liep op een afstand van haar vandaan, en toen ze een vriendin ontmoette ging ze zo staan dat die vriendin haar moeder niet zou zien. Haar moeder met die belachelijke salwaar, op dit feest, waar iedereen rondliep in strakke leggings en nauwsluitende bloesjes die de rug bloot lieten.

Mai was gaan zitten op een klapstoeltje en ze had Wimla geld gegeven om een cola te kopen. Wimla had geen moment bij haar gestaan, ze deed alsof haar moeder er helemaal niet was, ze stond daar maar op de dansvloer te deinen en te giechelen met die vriendin die iets ordinairs aan had, een jurk die van achteren zo diep was gesneden dat je bijna haar billen kon zien. Wimla had ook een blote rug, maar die werd bedekt door het lange glanzendzwarte haar, stelde Mai trots vast.

Wimla's drankje zag er vreemd uit, ook dat stelde Mai vast. Haar cola was waterig, maar ze kon zich niet voorstellen dat haar dochter alcohol zou gebruiken. Ze wist wat alcohol had gedaan in haar familie, ze wist waarom ze die nietsnut van haar man had gelaten, precies om de alcohol. Maar Wimla begon steeds harder te lachen, net als die ordinaire vriendin van haar, en wilder te dansen. Op een bepaald moment zag Mai hoe Wimla op het ritme van een onverstaanbaar lied haar benen uit elkaar schoof, haar rug diep maakte, haar heupen naar achteren duwde, haar hoofd zijwaarts hield en met d'r handen haar lange haar optilde. Zo ging ze schokkend en draaiend door de knieën.

Mai kende die dans, die 'bubbling' werd genoemd, maar ze had niet gedacht dat haar Wimla dit in het openbaar zou durven doen. Ze vond het niet netjes. Het was meer iets voor creoolse meisjes, vond Mai, niet voor een keurig opgevoede hindoestaanse. Wimla schaamde zich voor haar traditionele moeder, Mai schaamde zich voor haar moderne dochter. (Wordt vervolgd).