Herdenken is dit jaar in Duitsland politiek pijnlijk

BONN, 11 JUNI. Het huidige, verenigde Duitsland is al weken tamelijk hevig met zichzelf in debat over de vraag wat tijdens het Derde rijk (1933-45) wel het 'andere Duitsland' was. Of, preciezer, wie en wat moeten worden geëerd bij de plechtige viering van de vijftigste verjaardag van de mislukte aanslag van een groep Duits-nationale officieren rondom Claus Schenk graaf von Stauffenberg op Adolf Hitler. Welk Duitsland vertegenwoordigde deze Pruisische luitenant-kolonel, die volgens een met medestanders beraamd plan onder een tafel waaraan Hitler 20 juli 1944 met de legerleiding de militaire toestand besprak een tas met explosieven achterliet die ontploften zonder dat dat de Führer het leven kostte?

Ander vraagstuk: wie moet er dadelijk op 20 juli aan de Stauffenbergstraat in Berlijn, in het zogeheten Bendlerblock, waar destijds het opperbevel van het leger zetelde, spreken: kanselier Helmut Kohl, zoals eigenlijk al beslist is, of de net gekozen bondspresident Roman Herzog als boven de partijen staande man, die kort na zijn verkiezing - drie weken geleden - kenbaar maakte dat hij wel zou willen maar kennelijk niet wist dat deze spreekbeurt al vergeven was? Of Kohl èn SPD-voorzitter en aanstaand lijsttrekker Rudolf Scharping? Kohl heeft in 1984, bij de 40-jarige herdenking van de Stauffenberg-aanslag, het woord gevoerd en vorig jaar oktober al aangekondigd dat hij dat dit jaar weer wil doen.

Maar dit jaar is een superverkiezingsjaar en nu heeft Scharping twee weken geleden laten weten dat hij als voorzitter “van een partij die bij uitstek onder de dictatuur van het Derde rijk heeft geleden” ook wil spreken. Dat die wens zal worden ingewilligd is praktisch uitgesloten, want de opzet van de viering en het draaiboek voor 20 juli zijn in februari al goedgekeurd in een overleg tussen de regering, vertegenwoordigers van drie verzetsorganisaties en het Berlijnse stadsbestuur (waarvan de SPD deel uitmaakt). Bovendien zou Kohl als hij Scharping alsnog als co-spreker zou aanvaarden met recht het verwijt kunnen krijgen dat de gebeurtenis dan in een partijpolitieke sfeer belandt, ja: zelfs een verkiezingslucht krijgt.

Herdenken gaat dit jaar in Duitsland politiek gesproken van 'au'. Eerst was er het pijnlijke gesjor vooraf over het vraagstuk van een eventuele Duitse deelneming aan de herdenking van D-day (6 juni 1944). Vervolgens het gedoe over de opzet van de Russisch-Duitse viering van de overwinning van het Rode Leger in '45. Daarvoor is nu afgesproken dat Kohl en president Boris Jeltsin op 31 augustus naar Berlijn komen, waarna het vertrek van de drie Westelijke Geallieerden uit die stad een week later (8 september) apart wordt gevierd. Nu is er dan het probleem wie 20 juli spreekt ter herdenking van de Stauffenberg-aanslag.

Meer nog: er is ook een, zeker zo groot, ander probleem. Namelijk of de breed opgezette collectie van verzetsherinneringen op de herdenkingsplaats in het vroegere Bendlerblock wel, of: nog steeds, als decor deugt voor de viering van de aanslag van de Stauffenberg-groep, waarvan de leden destijds zelfmoord pleegden (zoals kolonel-generaal Beck), of opgehangen of gefusilleerd werden (zoals Stauffenberg) of tot zelfmoord gedwongen (zoals de veldmaarschalken Rommel en Kluge wegens hun voorkennis van de aanslag).

Wat is het geval? Onder de vroegere Westberlijnse burgemeester Richard von Weizsäcker, die zich als bondspresident (1984-'94) ontwikkelde tot Intimfeind van zijn partijgenoot Kohl, is in 1982 het initiatief genomen om voortaan in het Bendlerblock ook aan het door Stalin onder Duitse krijgsgevangen gevormde “Nationalkomitee Freies Deutschland” (NKFD) te herinneren. Dat comité was behalve antifascistisch natuurlijk ook communistisch; prominente leden ervan kregen na de oorlog topposities in de DDR. Daardoor leidde die als geste jegens de DDR bedoelde handreiking van Weizsäcker en het Berlijnse stadsbestuur ertoe dat in de herdenkingsplaats nu foto's hangen van vroegere DDR-machthebbers als Wilhelm Pieck en Walter Ulbricht, de vertegenwoordigers van de dictatuur die in Oost-Duitsland volgde op de Hitler-dictatuur.

De familie-Stauffenberg, die in de jaren zeventig al eens met succes bezwaar maakte tegen het plan de SPD'er en vroegere communist Herbert Wehner een herdenkingsrede te laten uitspreken, overweegt nu om de plechtigheid op 20 juli aanstaande te boycotten als alles wat aan de NKFD herinnert niet wordt verwijderd. Een familielid van een geëxecuteerd lid van de Stauffenberg-groep had trouwens in 1989 al voor opschudding gezorgd door zoiets tijdens de herdenkingsplechtigheid te eisen. De directeur van het herdenkingsinstituut, de historicus en SPD'er Peter Steinbach, dreigt van zijn kant met ontslag als er iets aan de “brede opzet” van het instituut zou worden veranderd. “We zijn verplicht alles (wat antifascistisch was, red.) te laten zien” vindt hij.

De zaak zit muurvast. SPD en CDU maken elkaar verwijten, Roman Herzog heeft een foutje gemaakt en wordt als allerbeste spreker gepropageerd door dezelfde media die hem drie weken geleden nog typeerden als een minder alternatief voor SPD-presidentskandidaat Johannes Rau. Historici debatteren over de vraag of en in hoeverre het NKFD een doodgewone Sovjet-mantelorganisatie was (met Stalin-trouwe Duitse communisten als harde kern in een club van het type burgerlijke “nuttige idioten” waar Lenin al van sprak). 'Rechtse' kranten als Die Welt en de Frankfurter Allgemeine schrijven geëngageerde commentaren waarin woorden als “schande”, “eer”, “trots” en “verraad” voorkomen. Op 20 juli wacht Helmut Kohl in Berlijn naar het lijkt dus helemaal geen prachtige dag in dit eerste superverkiezingsjaar in het verenigde Duitsland. Hem wacht een wespennest.