God is rond

August Willemsen: De Goddelijke Kanarie. Over het Braziliaanse voetbal 262 blz., geïll., Nederlandse Sportbibliotheek 3, Thomas Rap 1994, ƒ 24,50

Het mooiste voetballand ter wereld heet Brazilië. Voetbal is de vreugde van het volk, de passie van de natie. In Brazilië is voetbal geen sport, maar een onderdeel van de nationale identiteit. Brazilië, dat is voetbal en carnaval. En carnaval is ook voetbal: de dansende speelstijl op het veld, het onophoudelijke samba-ritme op de tribunes, het feest op straat na de overwinning.

Brazilianen hebben voetbal tot een kunstvorm verheven. Een spel van inspiratie met spelers als artiesten. Het is poëzie, de namen (voornamelijk bijnamen) van de spelers maken dat de opstelling klinkt als een gedicht. Het is magie, het bovennatuurlijke is in Brazilië nooit ver weg. Ook niet op het voetbalveld. Voetbal in Brazilië is hartstocht, lijden en geloof. “God is rond”, concludeerde de schrijver Armando Nogueira in de jaren zestig. Nogueira heeft de verklaring gevonden waarom Brazilianen voorbestemd zijn voor het voetballen: hun ziel is sferisch. “Om de ziel van een Braziliaan te begrijpen, moet je hem betrappen op het moment van een doelpunt”, schreef hij.

Brazilië heeft historie geschreven met voetbal waarvan de tegenstanders tureluurs werden en waarbij het publiek kon lachen, met de beste voetballers aller tijden, met legendarische clubs en met het drievoudige wereldkampioenschap (1958, 1962, 1970) van het nationale elftal, naar hun gele shirts de 'kanaries' genoemd. En evenzeer met de drama's van niet-gehaalde wereldkampioenschappen in 1950, 1966 en 1982.

Over die 'goddelijke kanaries' heeft August Willemsen een kostelijk boek geschreven. Het is literatuur en een naslagwerk (al ontbreekt een register), een lofzang op het Braziliaanse voetbal en, vooral, op de talenten van de individuele Braziliaanse voetballers. Het boek bevat statistische gegevens over clubkampioenschappen en wereldkampioenschappen, over de voetballers van het nationale elftal en over de aanhang van de grote clubs van Rio de Janeiro en São Paulo. Helaas zijn de foto's en het omslag weinig fraai.

August Willemsen is een unieke verschijning in het Nederlandse literaire wereldje. Zijn Braziliaanse brieven (1985) zijn een trefzekere karakteristiek van het leven in Brazilië. Als vertaler heeft hij Braziliaanse schrijvers en dichters (Drummond de Andrade, Machado de Assis, Guimarães Rosa) voor het Nederlandse publiek toegankelijk gemaakt. Met zijn recente vertaling van Diepe rivieren, de wildernis, heeft hij een heel eigen taal gecreëerd om die moeilijke, maar grootse Braziliaanse roman over het bandietenbestaan in het binnenland recht te doen. In de Goddelijke Kanarie toont hij zich van een andere kant: liefhebber van voetbal en kenner van de Braziliaanse voetbalkunde.

Muze

De stap van voetbal naar literatuur en wetenschap is in Brazilië gauw gezet. Drummond de Andrade schreeft gedichten over voetbal en voetballers. De bekendste Braziliaanse toneelschrijver, Nélson Rodrigues, werd begraven in de paars-wit-groene vlag van de oudste club in Brazilië, Fluminense uit Rio de Janeiro. Flamengo, de rood-zwarte club van Rio met de grootste volksaanhang, heeft een coterie van artiesten, onder wie leden van de voorname Braziliaanse Academie van Letteren. Sociologen, zoals Gilberto Freyre - die de term 'Dionysisch' voor het Braziliaanse voetbal bedacht - en Roberto da Matta (die niet door Willemsen wordt genoemd) hebben serieuze studies aan het verschijnsel voetbal gewijd. In Ipanema en Leblon, de modieuze wijken van Rio de Janeiro, spelen strandteams van intellectuelen en kunstenaars. Voetbal is 'de muze van de massa'.

De voetbalgeschiedenis van Brazilië begon in 1894, toen een groepje Engelse immigranten in het milieu van de blanke elite de nieuwe sport introduceerde. In de eerste twee decennia van deze eeuw werden de grote clubs opgericht, maar het duurde tot de jaren twintig totdat zwarten en mulatten in het voetbal doordrongen en voetbal dè sport van het volk werd. Zoals de hele Braziliaanse samenleving is ook voetbal doordrenkt van openlijke en verhulde discriminatie. En van incompetentie, politieke machinaties en corruptie bij de bestuurders van de Braziliaanse voetbalbond.

Brazilië is, zoals Willemsen terecht schrijft, een mondiale voetbalgrootmacht geworden in weerwil van de leidinggevende instanties en dank zij het talent, het doorzettingsvermogen en de inzet van individuele spelers en een enkele verlichte trainer. De meeste voetballers groeiden op als arme jongetjes, meer of minder koffiegekleurd, en ze leerden hun balbeheersing door blootsvoets te spelen met een kousebal op straat, op het strand, op een afgetrapt veldje. Daar ontstond het unieke Braziliaanse voetbal.

Willemsen wordt lyrisch als hij de carrières van de legendarische spelers bespreekt. De mulat Artur Friedenreich in de jaren twintig, de eerste 'koning van het voetbal' en topschutter van de wereld met 1.329 goals. De zwarte Fausto, vergeten gestorven aan tuberculose. Leônidas da Silva en Domingos da Guia, beiden van Flamengo, de eerste de 'uitvinder' en grootmeester van de achterwaartse omhaal, in het Braziliaans 'fiets' (bicicleta) genaamd. Waarover Willemsen schrijft: “Als het lukt, is dit het schoonste, meest spectaculaire doelpunt dat bestaat (één van de volmaakste bicicleta's was die van Marco van Basten bij Ajax tegen Den Bosch).” En Zizinho, in 1950 uitgeroepen tot de beste speler van het wereldkampioenschap, in Brazilië bekend als mestre Ziza, de speler met de fluwelen techniek.

Het wereldkampioenschap van 1950 werd in Brazilië gehouden en het had de bekroning van het Braziliaanse voetbal moeten zijn. In Rio was een nieuw stadion gebouwd met een capaciteit van 200.000 mensen, het Maracanão. In de finale tegen Uruguay hoefde Brazilië slechts gelijk te spelen om de wereldbeker te winnen. Het werd, na een 1-0 voorsprong, 1-2 voor Uruguay. Brazilië was in rouw gedompeld. Willemsen: “Wanneer iemand zwijgt, is het stil; wanneer meer dan 200.000 mensen zwijgen, is het dan stiller?”

Na die nederlaag zat Brazilië met een voetbaltrauma van metafysische omvang. Maar daarna begonnen de gouden jaren van het Braziliaanse voetbal. Met namen die klinken als een samba: Vavá, Didi, Zagalo, Nilton Santos, Djalma Santos, Gérson, Gilmar. En de grootsten van allemaal: Garrincha en Pelé.

Garrincha

Het was een wonder dat Manoel Francisco dos Santos ('Garrincha', het vogeltje) kon voetballen. Zijn linkerbeen was zes centimeter langer dan het rechter, hij had een rechter x-been en een linker o-been. Voor Botafogo, de club uit Rio waarvoor hij speelde, en voor het nationale elftal vertoonde hij zijn schijnbeweging, keer op keer, en altijd lukte het. Altijd buitenom. “De essentie van een schijnbeweging is dat de speler iets suggereert te zullen doen, wat hij vervolgens niet doet. Garrincha suggereerde iets te zullen doen, namelijk buitenom gaan - wat hij vervolgens ook dééd.” Die krankzinnige passeerbeweging en zijn clownsfiguur gaf hem zijn bijnaam, 'de vreugde van het volk'. Hij was het geniale kind, onnozel, onnavolgbaar. Al zijn tegenstanders noemde hij 'João' (Jan) en hij speelde ze allemaal van het veld. Niets leek gemakkelijker dan een dribbel van Garrincha te onderscheppen en toch eindigde elke verdediger in het gras, telkens weer. Vandaar de hilariteit van het publiek om het spel van Garrincha.

“Waarschijnlijk heeft geen één voetballer, ooit, waar ook ter wereld, laten zien wat Garrincha heeft laten zien in de jaren tussen 1958 en 1962”, schrijft Willemsen. Het WK van 1962 - Pelé raakte geblesseerd in de eerste wedstrijd - was het WK van Garrincha. Toen hij, aan lager wal geraakt, begin 1983 stierf, stond in Rio de Janeiro op de muren gekalkt: 'Bedankt Garrincha, dat je hebt geleefd.'

Geen groter verschil dan tussen Garrincha en Pelé (spreek uit: Pelèh met de klemtoon op de tweede lettergreep; zijn officiële naam luidt Edson Arantes do Nascimento). Garrincha was altijd hetzelfde, Pelé herhaalde zich niet. “Pelé was beredenering; Garrincha was instinct. Pelé was genie; Garrincha was magie. Pelé wist wat hij ging doen; Garrincha wist wat hij ging doen (iedereen wist het), maar niet wanneer”, concludeert Willemsen.

Pelé was de complete voetballer, hij kon alles: keepen en aanvallen, schieten, dribbelen, plaatsen en koppen. Hij was de meester van het één-tweetje met Tostão, Jairzinho, Rivelino of de benen van de tegenstander. Pelé deed de mensen niet lachen, maar aan hun ogen twijfelen met zijn onuitputtelijke repertoire. Pelé was “het mooiste dat voetbal waar ook ter wereld kan bieden”, schrijft Willemsen en hij citeert Nélson Rodrigues: 'Pelé, was hij niet als mens geboren, hij zou als bal zijn geboren'.

Pelé heeft in vier WK's gespeeld. Hij won, als 17-jarige, de wereldbeker in 1958 in Zweden (Brazilië won in de finale van Zweden met 5-2), raakte in 1962 in Chili geblesseerd toen Brazilië de beker opnieuw won (Brazilië-Tsjechoslowakije 3-1), hij was erbij in 1966 in Engeland en won in 1970 in Mexico (Brazilië-Italië 4-1) . Nadat hij was gestopt met voetballen werd hij een succesvol zakenman, een ambassadeur van Brazilië, tv-persoonlijkheid, society-figuur, politiek commentator, een man die een onschatbare bijdrage aan de maatschappelijke acceptatie van de Braziliaanse zwarten heeft geleverd.

Willemsen heeft nog een kernachtige anekdote over het verschil in persoonlijkheid tussen Pelé en Garrincha. Na de gewonnen finale tegen Tsjechoslowakije in 1962 vroegen radiojournalisten commentaar aan beiden ('twee woordjes maar'). Pelé gaf een kundige beschouwing van de wedstrijd; Garrincha zei: 'Dag microfoon'.

Na 1970 is het niet goed gegaan met Brazilië in de wereldkampioenschappen. In 1974 was de glans eraf en werd Brazilië vierde; in 1978 behaalde het de derde plaats, in 1982 met nieuw talent (Falcão, Sócrates en Zico) ging het mis tegen Italië, in 1986 tegen Frankrijk na strafschoppen, in 1990 tegen Argentinië. En op het WK dat volgende week begint? Willemsen heeft voorzichtige hoop op een nieuw Braziliaans wonder. Hij hoopt dat Romario de tweede Garrincha wordt die de Braziliaanse droom kan doen herleven. August Willemsen is een gefolterde, een torcedor, zoals voetbalaanhangers in het Braziliaans genoemd worden. Dat wordt weer lijden, voor hem en voor 150 miljoen Brazilianen, de komende weken.