Gebabbel rond de bal

J. Heymans: Het schaduwelftal. Over sport en literatuur 262 blz., Thomas Rap 1994, ƒ 27,50 Hugo Camps: Tussen wieg & gras. Voetbalverhalen 130 blz., De Arbeiderspers 1994, ƒ 17,50 Ed van Eeden: Totaalvoetbal - Elf interviews met spelers uit het legendarische team van de WK '74 112 blz., De Boekerij 1994, ƒ 14,90 Frénk van der Linden: De elleboogstoot, en andere bekentenissen uit de voetbalwereld 127 blz., L.J. Veen 1994, ƒ 19,90 Griselda Visser: Jan Wouters 112 blz., Arena 1994, ƒ 24,90

Er zijn een paar dingen in de wereld die het leven de moeite waard maken. Eén ervan is de wetenschap dat het snelste doelpunt tijdens een wereldkampioenschap voetbal al na vijftien seconden werd gemaakt. Dat gebeurde tijdens het toernooi in 1962 te Chili, toen de Tsjechoslowaak Vaclav Masek vanaf de aftrap scoorde tegen Mexico. Het was trouwens een onplezierig kampioenschap, in een land dat niet lang tevoren was getroffen door een enorme aardbeving, terwijl exorbitante toegangsprijzen het publiek afschrikten, en de wedstrijden veelal ontaardden in bloedige veldslagen, die tenslotte een gebroken been, een gebroken neus, een scheurtje in een schedel, enkele gave knockouts en nog veel meer ongerief opleverden.

De officials van de FIFA waren door de chaos zo in de war dat ze het doelpunt van Masek nooit officieel erkenden als het snelste; en tot op de dag van vandaag gaat die eer ten onrechte naar de treffer van Bryan Robson die na zevenentwintig seconden voor Engeland scoorde tegen Frankrijk tijdens het toernooi van 1982 in Spanje. Masek is door dat jammerlijk falen in de vergetelheid weggezakt, net zoals de arts van het Amerikaanse team die tijdens het eerste wereldkampioenschap in 1930 met fatale gevolgen het veld oprende om een speler te verzorgen. Hij struikelde en verpletterde in zijn val de fles chloroform die hij bij zich droeg. In diepe bewusteloosheid moest hij worden afgevoerd, terwijl de speler in kwestie allang weer was opgekrabbeld.

Ook dit toernooi in Uruguay werd overigens een waarachtig sportfestijn. Alle ploegen moesten door soldaten met bajonet op het geweer bewaakt worden en het spel zelf had een no-nonsense karakter dat nadien zelden meer is vertoond: het middenveld van Uruguay stond bekend als la costille metallica, het ijzeren gordijn, en dat was niet voor niets. Ook de spelers van Argentië hielden van doortastend optreden: tijdens hun halve finale tegen de VS knakten ze het moreel van de tegenstander door het toebrengen van onder meer een gebroken been, een verbrijzeld gebit en een ernstige verwonding aan de doelman.

Soccer

Het zal alleen de allergelukkigsten zijn ontgaan dat er aanstonds in de VS opnieuw een wereldkampioenschap plaatsvindt, het vijftiende sinds op 21 mei 1904 de internationale voetbalbond FIFA werd opgericht, en het zal grootser, duurder, beter georganiseerd, en sfeerlozer worden dan ooit. In de Verenigde Staten staat soccer, het voetbal waarover het hier gaat, ongeveer op de honderdste plaats in de ranglijst der populaire sporten, juist boven croquet en ringwerpen. Gelukkig is er in Nederland ruimschoots gelegenheid in een Oranje-stemming te komen: wie nog geen oranje hamburger heeft gegeten, kan bij aankoop van vijf blikken Bonzo dan tenminste een gratis oranje bandana voor z'n hond krijgen (dat is een soort slabbetje). En anders kan men ter verhoging van de voorpret nog altijd naar de boekhandel.

Na jaren van droogte waadt men hier plotsklaps door een kniediepe stapel voetbalboeken, -boekjes, en -bundeltjes. Daaronder zijn gelegenheidsprodukten met een beperkte houdbaarheid, zoals Oranje, dat kán je! WK 1994 door Herman Kuiphof, Fifa World Cup USA 1994 door Peter Arnold, en Jack van Gelders Oranje goes America, waarover de uitgever meldde dat het hier gaat om 'een stuk persoonlijke Oranje-beleving met een brok encyclopedische meerwaarde' - en daarmee lijkt alles gezegd.

Traditie

Er zijn ook een paar boeken verschenen die hoger mikken en door het leven willen als een serieus voetbalboek. Dat is een huiveringwekkende ambitie. Schrijven over sport is erg moeilijk, schrijven over voetbal is nog moeilijker, en goed schrijven over voetbal is wel het allermoeilijkst. Nederland heeft op dit gebied nauwelijks een traditie (uitgezonderd Scheepmaker en Buddingh'), en de thans voorliggende verzameling boekjes steekt helaas dan ook weer schraal af tegen wat er in Engeland wordt gepubliceerd (denk aan The Glory Game van Hunter Davies; Saturday's Boys van Sebastian Faulks, All Played Out van Pete Davies, Out of his Skin van Geoffrey Green en de voor het WK onmisbare nieuwe editie van The Story of the World Cup door Brian Glanville).

Bij ons blijft schrijven over voetbal doorgaans steken bij cursiefjes, interviews, onversneden idolatrie, of quasiintellectuele flauwiteiten. De eerste twee genres behoren al te vaak tot de slapste vormen die de journalistiek te bieden heeft, de derde leidt tot overspannen reclamepraat zoals in David Endts De Godenzonen van Ajax, en de vierde leidt tot een boek als Het schaduwelftal. In dit werk bundelde publicist J. Heymans zijn 'gepassioneerde gesprekken' met onder meer (ja inderdaad, u raadt het al) Youp van 't Hek, Tim Krabbé, Martin Ros, Davidt Endt, Jan Mulder en Jules Deelder over hun hartstocht voor sport (sommige geinterviewden blijken echter niets om voetbal te geven). Eerder verschenen de stukken in de Twentsche Courant, en nu zijn ze uitgebreid, opdat de lezer zo lang mogelijk kan genieten van snerpende vragen als 'Kreeg u veel reacties op uw sportcolumns?' en 'Welke sport vindt u, als u diep in uw hart kijkt, het mooist?'. Erger nog is evenwel het boekje van veelschrijver Ed van Eeden die onder de titel Totaalvoetbal interviews bundelde met spelers uit 'het legendarische team van de WK '74'. Kent u ze nog, de helden van toen: Pleun Strik (0 minuten gespeeld), Piet Schrijvers (0 minuten gespeeld), Willy van de Kerkhof (0 minuten gespeeld), en de andere invallers Theo de Jong en Rinus Israel?

Alweer iets interessanter is Tussen wieg & gras, een bundeling voetbalcolumns die Elsevier-journalist Hugo Camps in NRC Handelsblad publiceert. Camps weet in deze colums zijn Vlaamse achtergrond en zijn languissant-melancholische inborst in de vorm van een zeer herkenbaar idioom optimaal uit te baten. Op een krantepagina werkt dat - soms - maar in boekvorm ben je al heel snel uitgekeken op die éne toonhoogte die almaar klinkt en dat éne register dat steeds wordt aangeslagen.

In zekere zin speelt hetzelfde probleem bij De elleboogstoot, de bundeling van de voetbalinterviews die Frénk van der Linden maakte voor NRC Handelsblad, Nieuwe Revu en Playboy (ingeleid door, ja u raadt het al, Youp van 't Hek). Toen ze in de krant verschenen, sneden enkele van deze vraaggesprekken (zoals die met Stanley Menzo en S/oren Lerby) door de ziel, maar nu, afgedrukt zonder foto's en ontdaan van de geur van krantepapier, is het toch allemaal een stuk fletser dan ik me herinnerde. Opmerkelijk is eigenlijk vooral dat Jan Wouters in het met hem gehouden interview blijkbaar vaak letterlijk hetzelfde zei als tegen Griselda Visser, die onlangs haar In gesprek met Jan Wouters publiceerde. Dit boek biedt in de vorm van een lange monoloog de visie van de Utrechtse voetballer op zijn leven, zijn werk en op de wereld in het algemeen. In feite beviel Jan Wouters mij nog het best van al de hier genoemde werken. Het is géén bundeltje, en Jan Wouters weet op een afgemeten maar aanstekelijke manier duidelijk te maken dat hij een nogal verlegen levensgenieter is. Veel meer hoef ik niet te weten.