Frans-Duitse leiding is onvermijdelijk

Stemmen bij de Europese verkiezingen staat gelijk aan het steunen van een Europese federatie, en daarmee op termijn van de opheffing van Nederland als soevereine staat, schreef P. Kapteyn in NRC Handelsblad van 3 juni. De essentie van een federatie is echter het delen van de soevereiniteit tussen federatie en deelstaten. Van een volledige opheffing van Nederland als soevereine staat is geen sprake. Kapteyn voelt niets voor een Europese federatie en is op termijn voor opheffing van het Europees parlement of de omvorming ervan tot een vertegenwoordiging van de nationale lidstaten. Dit is een onvervalst gaullistisch standpunt en als zodanig een uiting van defensief staatsnationalisme, het onverkort vasthouden aan het ondeelbaar geachte principe van nationale soevereiniteit dat op principieel verzet stuitte, toen De Gaulle het maakte tot uitgangspunt van zijn visie op Europese samenwerking. Opmerkelijk is dat dit nationalistische standpunt nu ook in Nederland meer en meer te horen valt zonder als zodanig gediskwalificeerd te worden.

Kapteyn heeft wel goed begrepen dat met de opneming van het beginsel van subsidiariteit in het Verdrag van Maastricht de federale strekking van het Europese integratieproces impliciet is erkend, al is de formele bevestiging ervan in het verdrag op Brits verzoek geschrapt. Het verdrag gaat op grond van dit beginsel uit van een gemeenschapsstructuur op basis van gedeelde soevereiniteit.

Die federale strekking is van officiële Nederlandse zijde terecht steeds gesteund. Kleinere staten boeten bij internationale samenwerking in feite meer in aan soevereiniteit dan grotere, maar in intergouvernementele structuren nog meer dan in federale. Een federale structuur voorziet namelijk in juridisch tegenwicht tegen de economische en politieke machtsverschillen tussen lidstaten.

Dat er een kloof gaapt tussen de federale voorkeur van onze politici, in het bijzonder onze Europese parlementariërs, en het grote publiek zoals J.L. Heldring op dezelfde Opiniepagina suggereert, is niet zo vreemd. Politieke veranderingsprocessen worden altijd door elites op gang gebracht. Dat was ook met de ontwikkeling van de nationale staat het geval. Die steunde aanvankelijk in hoofdzaak op een stedelijke bovenlaag. Tot ver in de negentiende eeuw was de nationale staat voor het gros van de bevolking een abstracte grootheid, waar men zich weinig bij betrokken voelde. Van een levendig nationaal besef was pas sprake nadat dit door politieke en culturele elites bewust was aangekweekt door de introductie van nationale symbolen als een eigen vlag en volkslied, de ontwikkeling van een nationale standaardtaal, de bewustmaking van het eigen nationale verleden in geschiedschrijving, onderwijs, nationale monumenten en musea en de instelling van nationale gedenk- en feestdagen en voorts de invoering van leer- en dienstplicht en van het algemeen kiesrecht.

Wil 'Europa' in bredere volkslagen gaan leven, dan zal er een zeker besef van Europees burgerschap en Europese identiteit moeten groeien en daarvoor is ook een Europees parlement nodig met een reële invloed op het Europese besluitvormingsproces. Dit besef dient uiteraard ontwikkeld te worden als complement van nationaal en regionaal identiteitsbesef. Respect voor de culturele pluriformiteit van Europa is een essentiële voorwaarde voor het slagen van het integratieproces. Met het oog daarop valt ook niet meer te ontkomen aan een zekere differentiatie in het tempo van integratie, met andere woorden een Europa van meer snelheden. Er zal, zoals de Franse minister van Europese Zaken A. Lamassoure onlangs bepleit heeft, ruimte moeten komen voor de vorming van een kopgroep van lidstaten die de leiding neemt en dus voorop gaat lopen in het proces van Europese eenwording en zodoende nieuwe impulsen geeft aan de moeizame strijd voor een verenigd Europa, dat beter is uitgerust voor de aanpak van al die problemen die binnen nationale staatsgrenzen niet meer op effectieve wijze vallen op te lossen.

Het Franse voorstel is in dit blad door L.J. Bal en J.Q.Th. Rood met veel wantrouwen bejegend. Het is, zo stellen zij, vooral bedoeld om het gevaar van Duitse hegemonie in een zich naar het Oosten uitbreidende Unie te bezweren. Wat is daarop tegen? Het loopt uit op een Frans-Duitse hegemonie binnen de kopgroep. Maar is een zekere hegemonie niet onvermijdelijk in politieke integratieprocessen? Wat is het alternatief voor een Europa van meer snelheden, als we willen voorkomen dat het integratieproces opnieuw in stagnatie vastloopt?