Eurosceptici zijn een beetje abuis

Na de eurosclerose van de jaren tachtig maakt in 1994 het Euroscepticisme furore, als je de Nederlandse kranten van de laatste maanden mag geloven. De ene commentator na de andere grijpt de gelegenheid van de Europese verkiezingen aan om voor te stellen ofwel niet te gaan stemmen, of zelfs het hele Europees Parlement maar op te heffen. De argumenten lopen uiteen van 'het EP heeft toch niets te zeggen' tot 'laten de nationale parlementen hun ministers maar beter controleren'. Ook Paul Kapteyn (NRC Handelsblad, 3 juni) heeft hiervan een cocktail gebrouwen. Deze plaag van intellectueel euroscepticisme lijkt mij een gevaarlijk produkt van verwarde geesten.

Hoezo heeft het EP niets te zeggen? Tot 1987 was zijn rol inderdaad bescheiden. Het had vooral zeggenschap over de niet-verplichte uitgaven. Inmiddels zijn deze uitgaven opgelopen tot vijftig procent van de begroting. In 1987, met de Europese akte, kwam daar de mogelijkheid bij wetgeving te amenderen, waarbij de ministers echter het laatste woord hielden. Desalniettemin zijn sindsdien 2000 parlementaire amendementen in Europese wetten opgenomen.

Sinds 1 november 1993 (het Verdrag van Maastricht) staat het EP bij een flink stuk wetgeving zelfs op gelijke voet met de ministers. In deze laatste zeven jaar is het aantal vertegenwoordigers van belangengroepen in Brussel gestegen van zo'n 300 tot 10.000, meer dan bij alle nationale parlementen samen. Vergissen belangengroepen die 2 miljard gulden per jaar uitgeven om hun vertegenwoordiging in Brussel in stand te houden zich in de macht van het EP, of zijn eurosceptici een beetje abuis?

Met het verlaten van het veto-recht in de Raad van Ministers verloren de nationale parlementen de mogelijkheid hun minister effectief ter verantwoording te roepen. Dit veroorzaakte het democratische gat. De enige manier waarop nationale parlementen weer effectieve controle-mogelijkheden terug kunnen krijgen, is door de vereiste van unanimiteit in de Raad van Ministers te herstellen. Maar die is juist afgeschaft, omdat unanieme besluitvorming gelijk stond aan géén besluitvorming of quasi-besluitvorming, zoals nu nog rond ex-Joegoslavië of de belastingharmonisatie. Wie de economische, sociale en milieu-regels uitsluitend door de markt wil laten dicteren en de nationale overheden daar een Don Quichote-achtig achterhoedegevecht tegen wil laten voeren, kiest voor die optie. Onder het vaandel van (neo-)nationalisme wordt daarmee dan echter wel voor een ultra-liberalisme gekozen.

Omdat de markt tenminste op Europese schaal opereert, zijn alleen Europese regels nog effectief om de marktwerking te matigen en aan economische, sociale en ecologische randvoorwaarden te binden. Om die regels op te kunnen stellen, hebben onze regeringen terecht geconcludeerd dat meerderheidsbesluitvorming in de Ministerraad nodig is. Dit opgeven van soevereiniteit noemen is boekenwijsheid. In werkelijkheid wordt door het delen van de soevereiniteit de reeds ondermijnde soevereiniteit gered.

Steeds meer Europese problemen vragen om Europese besluitvorming. Europese besluitvorming vraagt om het opgeven van unanimiteit, maar daardoor kunnen nationale parlementen niet langer controle uitoefenen. Meerderheidsbesluitvorming in de Raad van Ministers vraagt daarom parlementaire controle door het Europees Parlement.

De enige vorm waarin effectieve controle door het EP kan plaatsvinden, is een vorm van gezamenlijke besluitvorming met de Raad. Dat stadium is sinds Maastricht op een aantal terreinen bereikt. Andere terreinen kennen nog een duidelijk gebrek aan democratische controle. Landbouw en buitenlandse handel zelfs al 35 jaar, economische en monetaire samenwerking pas sinds kort. Nationale parlementen hebben daar sinds die tijd al geen grip meer op, ook niet toen het Europees Parlement nog bestond uit leden van nationale parlementen. En dat was dan nog in een tijd dat het Europese Parlement nauwelijks taken of bevoegdheden had. Voorwaar geen club om nostalgie naar te hebben, en toch is dat waar Kapteyn en andere Eurosceptici naar terug willen.

Het spijt mij voor Paul Kapteyn, die zelfs van twee Nederlandse Kamers niet genoeg kan krijgen en er nog een derde bij wil, maar als we een Europa willen dat meer dan een markt is, dan moeten onze regeringen gezamenlijk besluiten kunnen nemen, en als we daar democratische controle op willen kunnen uitoefenen, dan hebben we een Europees Parlement nodig.