Einde van een tijdperk

Alle recht ligt besloten in het juridisch discours. Wetgever, rechter, doctrine en praktizerende jurist doen daaraan mee en via hen de justiciabelen. De kwaliteit en de doorzichtigheid van het discours bepalen de kwaliteit en de doorzichtigheid van het recht. De bijdrage van sommigen is groter dan die van anderen maar een hiërarchie is er niet.

Afgelopen zaterdag hebben wij Van der Grinten begraven. In een uit de eeuwigheid neergeslagen tijdperk van 80 jaren heeft hij zijn bijdrage aan het juridisch discours geleverd. Aan de waarde en de kracht van die bijdrage twijfelt niemand. Meer dan enig ander heeft hij tot zijn emeritaat in 1984 als hoogleraar burgerlijk recht het gezicht van de juridische faculteit in Nijmegen bepaald. Zijn Handboek voor de NV en de BV - in 1929 opgezet door Van der Heijden maar vanaf de vierde druk in 1946 geredigeerd door Van der Grinten - is sedert vele tientallen jaren voor alle vennootschapsjuristen een baken in zee. Een reeks boeken en vele honderden andere publikaties getuigen daarnaast van een onvoorstelbare werkkracht. Weinig onderdelen kent het civiele recht waar Van der Grinten niet over geschreven heeft en op veel gebieden heeft hij nadrukkelijk zijn stempel gezet. Apart noem ik nog zijn boek over het arbeidsovereenkomstenrecht. Aan dat boek begon Van der Grinten in de oorlog uit verveling en het manuscript voor de 17e druk voltooide hij drie dagen voor zijn overlijden. Net op tijd want hij moest nog twee adviezen en een arbitraal vonnis afmaken. Tot de laatste dag is Van der Grinten doorgegaan met het werk waaraan hij na zijn afstuderen als jurist in 1934 begonnen is.

Aan de begrafenis ging een uitvaartmis in de Cenakel-kerk in de Heilig Landstichting vooraf. Het was een plechtige maar niet een sombere gebeurtenis. Men zag om zich heen al degenen die vier maanden eerder op dezelfde plaats de uitvaart van de toen overleden echtgenote van Van der Grinten bijwoonden en men voelde de verbondenheid. In manibus tuis tempora mea. Voor Van der Grinten was het overlijden van zijn echtgenote, met wie hij 56 jaar verbonden was geweest, het teken om zijn werk op deze aarde neer te leggen. Na het eerst behoorlijk te hebben afgehandeld. Efficiënt en gewetensvol heeft hij geleefd en zo is hij ook gestorven.

Wat maakt Van der Grinten zo bijzonder onder de vele eminente juristen in Nederland? Was hij origineler dan alle anderen? Beschikte hij over meer creatieve gaven? Originaliteit en creativiteit zijn eigenschappen die Van der Grinten zeker in hoge mate bezat. Men denke aan de vondst van de structuurregeling in 1970, door Schut fraai beschreven in 'Het wonder van Den Haag' (Verdam-bundel, Kluwer 1971, p. 307). Toch zou ik de kracht van Van der Grinten niet daarin zoeken maar in de geheel eigen wijze waarop hij aan het juridisch discours heeft deelgenomen. Met een niet aflatend gevoel voor rechtvaardigheid en redelijkheid, een enorme kennis van zaken, een grote mate van nuchterheid, de gave om trefzeker te formuleren en een feilloze antenne voor de kern van het probleem dat zijn aandacht trok of aan hem werd voorgelegd. 'Probleemgericht' en 'oplossingsgericht' zijn modieuze kernwoorden in de didactiek. Aan Van der Grinten ging alles wat modieus was voorbij maar een beter voorbeeld van probleemgericht en oplossingsgericht denken is in juridisch Nederland niet te vinden. Dat maakt zijn werk toegankelijk voor iedereen en verklaart voor mij waarom een ieder steeds gretig aanhoorde en las wat Van der Grinten zei of schreef. Had iemand ooit mooie gedachten dan kwam hij na het lezen van Van der Grintens korte, bondige commentaar weer met beide benen op de grond te staan. Niet dat Van der Grinten bezwaar had tegen mooie gedachten maar over het algemeen vond hij ze nutteloos en dat gaf hij dan zonder omwegen te kennen. Van der Grinten als recensent was niet voor iedere schrijver of orator een pretje.

Persoonlijk heb ik Van der Grinten sedert 1970, toen ik zelf in Groningen als hoogleraar begon, vele malen meegemaakt. Van der Grinten trad dan op als spreker of debater bij een congres, als docent of feestredenaar, als voorzitter van het college van contacthoogleraren en annotatoren van Ars Aequi, als voorzitter van de Commissie Vennootschapsrecht. Veel van zijn geschriften heb ik gelezen, sommige heb ik gespeld. In de Commissie Vennootschapsrecht was hij de onbetwiste leider, de enige die na drie of vier uur ingespannen debatteren nog bij de les was, de enige die na drie of vier uur nog precies wist waar het over ging. Van der Grinten gaf niet toe als hij niet overtuigd was, maar hij liet zich overtuigen door de kracht van argumenten. Wat overblijft is respect en bewondering en het gevoel dat een groot leermeester is heengegaan. Het discours gaat zonder onderbreking door maar een tijdperk is ten einde.