Een genie laat zich de bal niet afpakken

Van Didi tot Baggio. Geestrijke voetballers. Er moet meer dan talent zijn om te kunnen uitblinken. Anders zijn bijvoorbeeld. Genie zijn en niet begrepen worden.

Pele, Maradona, Cruijff, Di Stefano, Beckenbauer, Didi, Garrincha, Eusebio, Matthews, Romario, Puskas, Platini, Futre, Best, Kubala, Rivera, Socrates, Lenstra, Hidegkuti, Zico, Meazza, Charlton, Van Basten, Baggio, Gerson, Savicevic, Andrade, Antognoni, Rivelino, Wilkes, Chalana, Asprilla, Gento, Kocsis, Keizer, Conti, Walter, Gullit, Rensenbrink, Schiaffino en Six.

Ze hebben veel gemeen, maar ze zijn allemaal verschillend. Ze hebben uitstraling, ze baren opzien. Maar de een is meer leider dan artiest en de ander is enfant terrible. Ze bestaan op alle niveau's - van wereldtop tot onderbond - de grillige voetballers met vedette-neigingen, de dromers en de arrogante veldheren. Ze scheppen verwachtingen, ze zijn aanwezig, ze zijn onvermijdelijk. Voor trainers zijn ze een lust en een last. Voor de liefhebber een bron van vreugde en van ergernis.

Ze voetballen zoals ze praten - zie het verschil tussen Pele en Cruijff, tussen Maradona en Romario. Verschil in emotie, maar altijd emotie. Sommigen hebben een natuurlijk leiderschap, anderen ontwikkelen leiderschap door hun opvoeding. Sommigen blijven altijd een kind, voor wie de bal speelgoed is waarmee je speelt totdat je grote broer het afpakt en je verongelijkt gaat huilen. Ook na hun carriere herken je de vedette, de man die opzien baart. Hetzij door een belangrijke positie in de maatschappij, hetzij door zijn grilligheid. Maar de bal laat hij zich niet afpakken.

Ze zijn gevoelig en kwetsbaar. De een probeert zijn gevoel te verbergen achter zijn trots of zijn grote mond, de ander achter een dromerige blik of achter overmatig gebruik van nicotine, alcohol of cocaine. Maar verbergen kunnen ze hun gevoel nooit. Daarvoor voetballen ze te veel met gevoel. Voetballen kun je niet leren, voetballen neemt als de duivel bezit van je. Fantastisch kunnen voetballen is een talent.

Fantastische voetballers zijn niet altijd wonderkinderen geweest, kinderen met eigenschappen van het genie. In de kunst of de wetenschap wordt aan het genie altijd een bijzonder grote intelligentie toegeschreven. Maar een man als Einstein bijvoorbeeld was een vrij onopvallende scholier. En omgekeerd is bekend dat niet alle wonderkinderen ook op latere leeftijd nog steeds tot de uitblinkers behoren. Er moet meer dan talent aanwezig zijn om te kunnen uitblinken.

Zouden Cruijff, Pele en Maradona onder andere omstandigheden toptennissers geworden zijn? Deskundigen zijn het er over eens dat in het algemeen gesproken het talent breder is dan de expressie. Intelligentie en creativiteit spelen vooral in kunst en wetenschap altijd een grote rol, maar niet iedereen die intelligent is, is ook creatief en omgekeerd. In de sport spelen creativiteit en intelligentie minder duidelijk een rol, maar zeker is dat mensen die goed zijn in de sport in het algemeen ook duidelijk meer dan gemiddeld intelligent zijn.

Voorts kan men stellen dat een zekere persoonlijkheidsstructuur nodig is om op welk gebied dan ook aan de top te komen en te blijven. En natuurlijk speelt de omgeving een rol van betekenis: opvoeding, milieu, toevallige omstandigheden. Zie daar, de ontplooiing van talent.

Professor Cavelhaes was een psycholoog in dienst van de Braziliaanse wonderploeg die in 1958 wereldkampioen werd. Hij was gek, hij was bang voor vliegen, een angsthaas, een neuroot. Hij liet de spelers tekeningen maken van een man. De verstandelijk ingestelde spelers tekenden ingewikkelde mannetjes, de intuitieve spelers eenvoudige mannetjes. Garrincha zou tot de laatste categorie hebben behoord, Didi tot de eerste. Over Pele is daarover niets bekend.

Didi werd uitgeroepen tot de beste speler van het WK '58, niet Pele die toen pas 17 jaar was. Didi was een trotse, elegante binnenspeler die in het 4-2-4 systeem op het middenveld het spel verdeelde. Zijn passes op Garrincha, Pele, Vava en Zagalo waren haarzuiver. Hij had een fantastische traptechniek. Zijn 'kromme' ballen waren als kunst. Zijn vrije trap werd een folha seca genoemd. Hij was de eerste voetballer die de trap introduceerde waarmee Platini, Keizer, Maradona, Zico en Koeman beroemd werden. Het bananashot, zoals zo'n schot later genoemd zou worden, viel als een 'droog blad' in het doel.

Didi liep elegant. Hij liep nauwelijks, hij trok het spel naar zich toe, hij liet de bal het werk doen. Hij heerste omdat hij iets uitstraalde, charisma had. Didi was wat men later 'de spelverdeler' noemde. Hij was een fantasista, zoals ze in Italie zeggen. Hij was een speler die zwijgend de bal opeist. Hij hoefde niet te schreeuwen, niet te gebaren en te sturen. De trainer, Vincente Feola, had geen vat op hem, omdat Didi deed wat hem inviel. Hij deed zijn werk als een door god gezonden engel.

Dat soort voetballers is er altijd geweest. Voor hem en na hem. Voetballers die meestal het nummer 10 op hun rug kregen, omdat ze meestal linksbinnen speelden. Voetballer die links zijn, schijnen over een bijzonder talent te beschikken. Spelers als Pele, Platini, Rivera en Baggio. Nummer 10. Didi was rechts, of eigenlijk tweebenig - zoals alle Brazilianen.

Didi was in 1958 dertig jaar. Te oud, vond Feola aanvankelijk. Maar omdat hij Brazilie met een van zijn beroemde 'vallenden bladeren' in de beslissende wedstrijd tegen Peru naar het WK had geschoten, mocht hij mee naar Zweden. Didi was een controversiele man. Hij was trots, eigenzinnig en ongrijpbaar. Hij zorgde voor opwinding in de Braziliaanse samenleving door als zwarte man een blanke vrouw te trouwen. Didi deed wat hij wilde. Overtuigd van zijn eigen kracht.

Pele zou hem later overvleugelen, op alle fronten. In Zweden was Pele pas 17 jaar, maar met zijn briljante passeerbewegingen en unieke doelpunten trok hij al meer aandacht dan Didi. Het zou niet lang meer duren of Pele zou de beste voetballer aller tijden worden. Waarom? Dat valt niet uit te leggen. Gevoelsmatig is hij de allerbeste. Alleen al die borstcontrole! De kwaliteiten van Pele zijn absoluut.

Pele was de beste Braziliaan, ondanks Didi, ondanks die rare artiest aan de zijlijn van wie het rechter been korter was dan het andere, dat krom was gegroeid. Garrincha ('Winterkoninkje'), een jongen uit een berggehucht nabij Rio de Janeiro, nooit zou er meer een betere rechtsbuiten zijn. Hij was onvoorspelbaar in zijn passeerbewegingen. Hij was ondoorgrondelijk als mens. Hij stierf aan de drank, eenzaam en alleen.

Anderen, jongeren en ouderen, hebben zonder twijfel even mooie herinneringen aan hun eerste kennismaking met de schone kunsten van het voetbal. Voetbal is een kwestie van goede smaak. Diego Armando Maradona zou zich bijvoorbeeld aandienen. Een Argentijnse balkunstenaar. En de timmermanszoon uit Lanus, een verpauperd voorstadje van Buenos Aires, kon echt alles met een bal. Hij was meer circusartiest dan voetballer. Als medespeler was hij een verschrikking. Altijd wilde hij de bal, altijd riep hij “He, he, heee”. Om gek van te worden. Hij zou het wel even doen. En hij deed het. Mooiere - rechtdoor, achteruit en diagonaal - solo's zijn er nooit geweest. Gekkere doelpunten evenmin. Hij dwong anderen naar hem te luisteren. Als hij zweeg, liet hij de bal spreken.

Maradona en Garrincha zouden nooit als trainer slagen. Zij zouden hun gaven niet kunnen overbrengen op anderen. Pele kan dat wel. Hij is een voetbalfilosoof, een hoogleraar die boven de oefenmeester staat. Daartussen moet zich ergens Johan Cruijff bevinden. Als trainer is hij vrij succesvol, maar hij wekt meer de indruk dat hij vergeefs probeert voetballers zijn manier van voetbal te leren. Voetballen zoals Cruijff deed, is immers vrijwel onmogelijk.

Om Cruijff kon niemand heen. Wanneer hij zijn voeten en zijn armen niet kon laten spreken, trok hij zijn scheur open. Hij zette iedereen naar zijn hand, bouwde een elftal (nu nog als trainer) om zich heen dat in dienst van hem speelde. Werkers, hardlopers, technici, tactici, alle specialisaties om zijn kunstwerk te ontplooien. Wie niet luisterde, moest van aristocratische komaf zijn (Keizer) om met hem mee te mogen spelen. Hij was de meest Latijnse voetballer - in zijn bewegingen en temperament - die er ooit ten noorden van Parijs is geweest. Hij moderniseerde het straatvoetbal.

We hebben nog Eusebio gehad, de 'schelpenvisser' uit Mozambique. Charlton, de runner met de mooiste breedtepass uit Manchester. Beckenbauer, der Kaiser uit Munchen. En Van Basten, de primadonna uit Utrecht. En Baggio, de 'herdersjongen' uit Vicenza. Ook Ruud Gullit, de Rastaman uit Amsterdam en natuurlijk Romario, de strandvoetballer uit Rio, verjaagd door de botte Hollanders.

Allen hebben ze hun trots. Allen doen ze het bij voorkeur op hun eigen wijze. Wie overtuigd is van zichzelf, raakt in verwarring wanneer hij wordt tegengesproken. Dat is het lot van het talent dat succes boekt. Zelfs genieen moeten vechten om erkenning. Ze weten niet dat ze na hun afscheid - of na hun dood - de eer krijgen die hen toekomt.

Stanley Matthews weigerde zijn door Times-journalist David Miller geschreven autobiografie te lezen. “Het is allemaal niet waar wat er geschreven wordt, hoe ik voetbalde tart iedere beschrijving.” Hij vertoont op z'n 78ste nog afwijkend gedrag door het mooiste grasveld in zijn tuin in Stoke-on-Trent naar Wembley te vernoemen. Matthews was de Garrincha van Europa nog voordat we van de Braziliaan hadden gehoord.

Abe Lenstra, het grillige genie uit Heerenveen. Herman Kuiphof schreef in 'Rondom Abe': “Lenstra was een voetballer die alle fouten had die met zijn genialiteit verband hielden. Hij was eigenwijs, erkende zelden iemands autoriteit. Berucht waren de perioden van inactiviteit, die hij had. Ik heb vroeger wel gedacht dat het met onWIL verband hield, maar later kwam het gevoel bovendrijven dat het tijdelijke onMACHT was bij Abe. Er waren dagen waarop hij alles kon en er waren dagen dat hij in zo'n machteloze periode verkeerde, maar dat hij door een kleinigheid uit zijn lijdzaamheid kon ontwaken. Plotseling sloeg dan de vonk in hem en dan was hij niet te stuiten.”

Abe werd zelden begrepen. Romario wordt zelden begrepen. Omdat beiden dromers zijn. Ze worden verjaagd omdat ze niet aan alle verlangens beantwoorden die het volk om niet helemaal verklaarbare redenen eist. Ze worden verjaagd en gehoond omdat ze anders zijn dan we willen, dat ze zoals wij zijn. Maar, mijn god, laten we voor eens en voor altijd beseffen dat ze anders zijn, dat ze beter kunnen voetballen dan wij, beter dan al die gewone stervelingen die ook hun brood met voetballen verdienen. Dat hun geestelijk rijk verschilt van het onze.

Zullen we nog genieten van geestrijke voetballers als Romario, Maradona, Pele, Cruijff, Garrincha en Didi? Asprilla, Romario, Rincon, Okocha, Bebeto en vooral Baggio komen in aanmerking voor een uitblinkersrol in Amerika. 'Roby' Baggio, de Italiaan met de geniale momenten, de kwetsbaarheid zelve. Hij heeft geen stem. Hij heeft alleen zijn voeten en zijn hoofd vol ideeen.

Baggio kent de relativiteitstheorie van het vedettendom. Hij vond het boeddhisme. Dat heeft hem geleerd dat smart onafscheidelijk aan het leven verbonden is, dat smart uit de begeerte naar vergankelijke wereldse dingen voorkomt, dat het leven en de smart door het nirvana kunnen eindigen. En dat men om dit te vermijden de begeerlijkheid in zich moet doden en van alle dingen afstand moet doen.

Laat ze asjeblieft schitteren, de nieuwe genialen.