De nieuwe sokken van het welzijnswerk; Het paternalisme keert terug in de zachte sector

De bebaarde welzijnswerker is verdwenen, maar het sociale werk is gebleven. Gestoken in een 'modern' jasje werpt de 'organisatiedeskundige' welzijnswerker zich tegenwoordig op praktische problemen: voorzieningen voor kinderen, het isolement van ouderen of het 'repareren van sociale verbanden'. Het profijtbeginsel, de zorgzame samenleving, de calculerende burger - alle ideologietjes van de laatste twintig jaar lijken hun gelijk te halen.

Het welzijnswerk is zo'n jaar of tien jaar geleden definitief weggelachen. Welzijnswerkers waren wel erg ver gegaan met de pretenties van de jaren zestig en zeventig over de maakbaarheid van de samenleving. Als arrogante revolutionairen hadden ze zich gedragen - zij zouden het volk bewust maken, zij zouden de emancipatie van de geknechte buurtbewoner bewerkstelligen. Dat was dus niet gelukt, integendeel: de filosoof Hans Achterhuis schreef in zijn boek De markt van welzijn en geluk dat het welzijnswerk de mensen juist afhankelijk had gemaakt. Onder leiding van Jan Blokker in de Volkskrant werden ze de tempel van het correcte denken uitgejaagd. 'Welzijnswerk' was voortaan een scheldwoord.

Het had niemand verbaasd als het ook was wegbezuinigd. Maar zo ging dat niet. Er is de laatste jaren 'gedecentraliseerd'. Inhoudelijk noch financieel bemoeide het ministerie van WVC zich nog langer met de praktische gang van zaken in het welzijnswerk - dat moesten de gemeenten verder doen. Bezuinigd werd er in het algemeen met mate. Het nationale overzicht raakte in ieder geval totaal verloren; er daalde een diepe stilte over het welzijnswerk.

Maar nu gebeurt er iets. Op ministeries, instituten en wetenschappelijke bureaus van de politieke partijen zijn stapels boekjes, brochures en nota's te verzamelen over veelbelovende projecten en projectjes op lokaal niveau. In iedere titel staat wel het woord 'nieuw', 'vernieuwing' of 'modern'. De inleidingen staan weliswaar vol met vertrouwde algemeenheden als 'eigen verantwoordelijkheid', 'flexibilisering', en 'sociale samenhang'. Maar ironie is ver te zoeken - de schrijvers lijken er echt weer in te geloven. Herhaaldelijk wordt opgeroepen tot 'creativiteit' en 'een positieve houding'. Hoe durven ze?

Er is een nieuwe welzijnswerker opgestaan, wordt gezegd. En hij of zij is vooral te vinden in Rotterdam, waar het werk stilletjes in stand is gehouden, en waar ze de sociale vernieuwing hebben uitgevonden. Bijvoorbeeld Johan Janssens, opbouwwerker sinds een jaar of veertien. Hij heeft het staartje van de oude tijd meegemeekt: “Strijdcultuur vonden we toen al een te zwaar woord, maar 'belangenbehartiging' - dat was het nog echt. Actievergaderingen beleggen, met bussen naar het stadhuis, de eisen van de buurt vertolken. En 'educatie', dat hoorde er ook bij - hadden we geleerd: de mensen moesten leren hoe de macht in elkaar zit, en als je de gemeente vijftien struiken in je straat wilt laten platen, nou, dan leer je wel hoe de wereld in elkaar zit.”

Het waren niet Achterhuis of Blokker die Janssens vervolgens op andere gedachten bracht, het waren de 'cliënten' zelf. “Het oneindige gezeur”, “de manische ouwehoeren”, hij kreeg er werkelijk genoeg van. “Op den duur lukten zelfs kleine dingen niet meer. Een speelplaatsje inrichten bijvoorbeeld: er bleken te veel deelbelangen te zijn. Mensen met verschillende leefwijzen; ouderen werden steeds banger voor alles wat jong was; andere culturen, noem maar op. De discussies gingen niet meer over wàt er moest gebeuren, maar wíe de schuldige was. Als je dan nog bij het gemeentehuis gaat staan brullen 'de wijk eist zus, de wijk eist zo', dan voel je je zo'n karikatuur van jezelf worden.”

Het 'nieuwe' van zijn werk nu is minder snijdend te formuleren. Eerst ging hij 'experimenteren'. Janssens ging zich bezig houden met praktisch problemen die voor de hand lagen. Het isolement van ouderen, bijvoorbeeld. Hij probeerde de contacten enigszins te herstellen of op gang te brengen. “Een hele schriele versie van die toch wel spectaculaire ouwe onderhandelingssessies. Maar er zat niets anders op.”

Janssens repareert nu sociale verbanden, zoals hij het zelf uitdrukt. Hij behartigt nog wel belangen, maar als de deelgemeente tegenwoordig met bezuinigingen komt voelt hij zich “minder vertegenwoordiger dan informant”. Tegenwoordig zegt hij: “Het lijkt me niet handig en verstandig als je dit doet”. Vroeger ging dat anders. “De opbouwwerker waarbij ik stage liep was nog zo'n echte vrijgestelde actievoerder. Ik ben een expert op het gebied van 'samenlevingsopbouw': een professional die goed kan netwerken en clean analyseert. Die niet steeds vraagt 'Heeft u een probleem?', maar eerder zegt 'Hé, doe eens wat!'. Voortdurend een appèl doen op positief denken. Wie zeurt doet even niet mee.”

Rokkostuum

Paul Kuyper en Jos van der Lans, van De Balie in Amsterdam, noemen in een recent boekje getiteld Naar een modern paternalisme, de Johan Janssens's “de huismeesters van het sociale”. De nieuwe idealen lijken op die van de jaren vijftig. Oude termen uit die tijd duiken weer op. Janssens heeft het over 'samenlevingsopbouw', en wil de term 'welzijnswerker' definitief schrappen. Kuyper en Van der Lans spreken graag over 'sociaal werker'. Het idee is dat men zich gerust weer met de mensen mag 'bemoeien', iets van ze mag eisen. Dat is het paternalisme. Het 'moderne' is de 'organisatiedeskundige' manier van optreden.

In een van de brochures van het Rotterdams opbouwwerk, staat een foto van Janssens tijdens een optreden voor een ouderenmiddag. Hij gaat daar gekleed in een rokkostuum en een buitensporig groot strikje. Lollig, maar vooral ook netjes. Baard en geitenwollen sokken zijn verdwenen.

Wat die samenlevingsopbouw van Janssens praktisch voorstelt heeft hij zelf in een andere brochure van het opbouwerk beschreven, genaamd De Omkering en gepubliceerd in 1989. Hij beschrijft daar een project dat was uitgevoerd in de Rotterdamse wijk Oud-Mathenesse. Een bewonersorganisatie in de buurt had bedacht dat de open binnentereinen tussen de huizenblokken - 's avonds in duisternis gehuld 'en dus niet pluis' - beter afgesloten konden worden. Maar de 750 betrokken huishoudens moesten daar dan wel zelf voor zorgen.

Allereerst werd, zoals Janssens schrijft, een 'geur van organisatie' verspreid: huis-aan-huis bezorgden ze keurige brieven met het opschrift 'Het aanbod'. Dat behelsde de plaatsing van hekken en sloten door de bewonersorganisatie, in ruil voor een bijdrage van 15 gulden per huishouden. Al snel sprak men bij de kruidenier over weinig anders, en de aangekondigde buurtvergadering was dan ook druk bezocht.

De vergadering werd strak geleid. “Wie de verantwoordelijkheid voor de problemen bij de politie, de huisbazen, de gemeente, kortom bij 'anderen' legt, krijgt maar weinig ruimte van de voorzitter”, meldt het verslag. Dat is dus 'de omkering', telkens wordt de discussie teruggebracht tot de vraag 'wat kunnen de bewoners zelf doen'. Als het toch vast dreigt te lopen “springt de opbouwwerker in. Hij versimpelt en relativeert de problemen, breekt met de nodige humor de spanning en maakt de 'kansen' die de bewoners zelf kunnen pkakken, nog aantrekkelijker.”

Het lukte natuurlijk. Algemeen wordt besloten op het 'aanbod' in te gaan. Maar nu moesten bij de 750 buren akkoordverklaringen opgehaald worden. Er hadden zich vrijwilligers gemeld, maar niet genoeg. Er moest rondgebeld worden. “Sommigen vonden het 'eng' om bij de buren langs te gaan, anderen vroegen zich af 'waarom doet een ander het niet'.” Daar hadden de organisatoren op gerekend: “Onze reactie was: als iedereen er zo over denkt, stopt de actie nu!”

Dat werkte, en iedereen raakte ten slotte zeer gesticht, volgens een der initiatiefnemers: “De ophalers herstelden bij hun buren iets van de norm dat je zelf medeverantwoordelijk bent voor de veiligheid. En het maakte ook andere initiatieven los: bestrating en verlichting op binnenterreinen.”

Ten slotte schrijft Janssens: “Het toppunt van de omkering werd door de woonomgevingsgroep zelf bedacht: wat te doen met de kleine 20 procent die geen akkoordverklaring tekende? De niet-betalers worden nu uitgenodigd om hun sleutel op te halen in de Wijkwinkel op bepaalde tijden. Leden van de woonomgevingsgroep gaan dan in discussie met hen en overhandigen vervolgens de sleutel waar ze recht op hebben...”

Dan komt in het boekje de vraag 'Word je dan met een honkbalknuppel opgewacht?', en Janssens' riposte: “Hèhè... daar zijn we weer. Eindelijk gaan mensen elkaar aanspreken op mede-verantwoordelijkheid voor hun omgeving en termen als 'honkbalknuppel' en 'politiestaat' komen weer op tafel. Ken je die poster van Loesje? Nee... 'Zeg niet voortdurend vrijheid, als je vrijblijvendheid bedoelt'.”

Paternalisme

Andere werkmethoden, andere woorden. In plaats van het 'samen staan we sterk' van vroeger hebben ze nu 'het aanbod', 'de ruil', of 'de uitdaging' en de 'premie op actie'. Wie zijn verantwoordelijkheid neemt krijgt er iets voor terug, is de leidende gedachte. Het profijtbeginsel, de zorgzame samenleving, de calculerende burger - alle ideologietjes van de laatste twintig jaar lijken hier een beetje hun gelijk te halen.

Dit welzijnswerk is zo veranderd dat het werk zelf, compleet met modern paternalisme, de laatste jaren ook wordt gedaan door mensen die nooit welzijnswerker zijn geweest of het nooit hopen te worden. Dat heeft de sociale vernieuwing allemaal losgemaakt. Rotterdam is met het 'Opzoomeren' het bekendste voorbeeld, zo genoemd naar de eerste straat waar minstens drie bewoners in staat waren om zelf enig onderhoud aan hun straat te verrichten. Als ze dat een tijdje volhielden werden ze beloond met een premie van 3000 gulden, te besteden bij een van de gemeentelijke diensten, van de gemeentereiniging tot de politie. De ambtenaren van de gemeentereiniging hebben er zelfs cursussen voor gelopen. Want wie altijd gewend is geweest om in algemene termen over de behoeften van straten en wijken te denken, weet niet meteen tegemoet te komen aan uiteenlopende wensen op kleine schaal met geringe budgetjes. Dat is dus die 'flexibilisering' en 'ontkokering'. Een paar weken geleden namen 1250 Rotterdamse straten, een kwart van de stad, aan zo'n soort actie deel.

Welzijnswerkers waren er de contactpersonen. Ambtenaren met sociale vernieuwings-potjes en -plannen zochten aanknopingspunten in de buurten en vonden die vaak in personen - de Johan Janssens's oude stijl - die ze jaren tevoren waren gaan mijden vanwege hun stemmingmakerij en handel in burgerlijk ongenoegen. Maar er bleken ook anderen over verrassende contacten en inzichten te beschikken: bijvoorbeeld bij de politie, de woningbouwvereniging, stadsbeheer, of de onderwijsinspectie.

Voor de Rotterdamse coördinator van de sociale vernieuwing Gerard de Kleijn stond het welzijnswerk niet eens centraal. “Het was ook niet de trekker van de sociale vernieuwing. De opdracht die we gaven, het appèl dat we deden was aan iedereen gelijk gericht: de politie, de buurthuizen, de woningbouwverenigingen, en nog veel meer. Kom allemaal achter die balies vandaan en doe eens wat! Het zat eenvoudig in de lucht, dit soort denken. Bij het welzijnswerk, maar bij anderen ook, net zo goed.”

Andere instellingen werden niet uit hun tent gelokt door de sociale vernieuwing, maar eenvoudig omdat het werk hen voor de voeten kwam. In Amsterdam-West zag de politie tekens dezelfde Marokkaanse crimineeltjes terug. Er werd wat geëxperimenteerd, en een paar jaar geleden begon de Amsterdamse politie met 'Beware, watch out', een programma waarbij jongeren werden ingeschakeld als ordedienst in winkelcentra, bij buurtfeestjes en voetbalwedstrijden. De leider van het project, Rob Raat, is al bij CNN geweest, en nog is hij wekelijks middagen kwijt met het tewoord staan van de pers.

Zit Raat met zijn project niet op de stoel van het welzijnswerk? Hij haalt zijn schouders eens op: “Tja, als ze hun werk zouden doen...”. Het had niet veel gescheeld of de lokale jongerenwerkers hadden het project voorkomen. Via de deelraadwethouders hadden ze wethouder Jonker ervan overtuigd dat het 'stigmatiserend' zou werken. Maar dank zij ingrijpen van burgemeester Van Thijn ging het te elfder ure toch door. Raat ontdekte door zijn omgang met Marokkaanse crimineeltjes dat er wat met ze viel aan te vangen als hij ze enige verantwoordelijkheid gaf. Van koffiehalen uit de automaat tot boodschappen doen met de politieknip. Natuurlijk hadden in het begin veel collega's daar 'moeite mee': wat kan er op het bureau niet allemaal kwijtraken? Inmiddels heeft het project de manier van kijken en werken in het hele corps gunstig beïnvloedt en zouden ze het niet graag kwijtraken, laat hoofdcommisaris Nordholt via zijn woordvoerder Wilting weten.

Het was niet alleen de politie die het project mogelijk maakte. Als de winkeliersvereniging niet meegewerkt had, was er niets van terechtgekomen, vertelt Raat. En dat is nog een dubbeltje op zijn kant geweest. Eigenlijk was het de bedrijfsleider van de plaatselijke Hema die de anderen wist over te halen. En nu, met veel andere projectjes elders in de stad, wordt samenwerking gezocht met scholen en werkgevers, om die anderen aan hun eigen verantwoordelijkheid te herinneren. “Wij zeggen tegen het bedrijfsleven, jullie moeten ook maar investeren, anders krijg je het later keihard terug”, zegt woordvoerder Wilting.

Rob Raat heeft niet als Johan Janssens een speciaal pak nodig om de juiste snaar te raken. Hij houdt het zijne nadrukkelijk aan: het politie-uniform, in hemdsmouwen weliswaar, maar met het pistool op de heup. Je hoeft niet te vragen wat de bron is van dìt paternalisme. De jongens lopen als jonge honden om hem heen. Een echte oom agent, waar er vroeger zo veel van schijnen te hebben rondgelopen. Ze beschouwen hem als een vader, wat hem soms wat benauwd, maar wat hij ook wel aardig vindt.

Straatarm

Wat het allemaal zo ongrijpbaar lijkt te maken zijn de 'creativiteit' en de 'positieve houding' waar al die nieuwe welzijnswerkers het over hebben. De Amsterdammer Rob Raat toont het met een soort goeiig gegrom. Een heel ander type, mevrouw Blokpoel-Lotsy, het Haagse gemeenteraadslid die twaalf jaar lang met liberale hartstocht voor het welzijn ijverde, en vooral de sport o zo zo belangrijk vindt, zegt: “Is het niet verrùkkelijk om die witte en zwarte kindertjes door elkaar te zien spelen?”

Of neem Mar Aalders, 55 jaar oud, ooit tot bakker opgeleid, in de jaren zestig marketingmanager, toen door de tijdgeest aangeraakt en welzijnswerker geworden. Het is moeilijk hem aan te horen en niet het gevoel te krijgen dat het sociaal paradijs binnen handbereik ligt. Hij is een super-opbouwwerker, die zich niet wil beperken tot kleine maatschappelijke reparaties 'in de micro-sfeer'. In Rotterdam heeft hij het ene succes na het andere geboekt. Bijvoorbeeld met de duizenden geprivatiseerde en straatarme vrachtwagenchauffeurs uit Oost-Europa die de omwonenden van de Waalhaven overlast bezorgden. Nu zijn er allerlei faciliteiten, de chauffeurs hebben vrienden in de buurt, en buurtbewoners hebben werk in de opvang van de chauffeurs. Er is zelfs een speciaal bevrachtingskantoor gekomen. Havensteden elders in Europa zijn er jaloers op.

Het benodigde geld wist Aalders van het Europees Sociaal Fonds los te peuteren: 350.000 gulden. Hij ontdekte ook iemand die handig was met de 24 pagina's tellende subsidieaanvraag. Die heeft nu een bureautje van vier man, die hun brood verdienen met dit soort aanvragen op basis van no cure no pay.

Er zijn andere projecten geweest, en hij heeft plannen. Bijvoorbeeld voor een soort uitzendbureau voor werk op laag niveau. Bij het aan de slag helpen van ongezeggelijke jongeren in winkelcentra was hem opgevallen dat bedrijven in hun personeelsbehoefte sterke pieken en dalen vertonen. “Het probleem van de pieken wordt voor een deel opgelost met overwerk, voor een deel met zwart werk, en voor een deel helemaal niet. Nu heb ik een plan voor een werk-maatschappij, een soort uitzendbureau, met jongeren die dan eens hier en dan eens daar werken. Dat maakt voor die bedrijven een rustiger bedrijfsvoering mogelijk. En sowieso is flexibele arbeid een steeds belangrijker verschijnsel.”

“Natuurlijk moet je die jongeren voor 100% betalen, anders kunnen ze niet leven. Mijn schatting is dat ze hun tijd voor 60% produktief kunnen maken. De overige tijd besteden ze dan in een trainingscentrum, want ze moeten van alles kunnen: de ene dag met een vorkheftruck rijden, de volgende keer hamburgers klaarmaken, en dan weer eens toezicht houden in het winkelcentrum.

“De grote vraag is, waar betaal je die veertig procent van? Dat moet denk ik uit de jongerenpools komen, en de uitkeringsgelden. Bedrijven zijn in ieder geval enthousiast. Er zijn er die me vragen, wanneer begin je? Ja, leer mij het bedrijfsleven kennen! Ze willen wel wat voor je doen, maar je moet ook iets te bieden hebben. Als je alleen maar vraagt sta je binnen drie minuten buiten. Dat moet voor de deelnemers ook zo zijn: als je ze voor 100% betaalt, mag je ook wat van ze eisen. Landelijk kun je zo honderdduizend banen scheppen, denk ik.”

Ondernemingslust, dat woord is hem liever dan creativiteit. Als de dominee ook een koopman kan zijn, dan heeft de Hollander pas echt plezier.

Watje

Hoe wordt zo'n positieve houding op grote schaal aan de man gebracht? Volgens Gerard de Kleijn, de Rotterdamse coördinator sociale vernieuwing, gaat dat zo: eerst de succesvollen vinden. Die ene goeie wijkagent bijvoorbeeld. En dat dan in de publiciteit brengen. “Dan verspreid je ook in het corps de gedachte dat een wijkagent geen watje hoeft te zijn.” Of die ene voortreffelijke woningbouwvereniging. Die kwam er in de krant dan goed van af, wat heel prettig was voor de vereniging.

“En dan krijg je dat anderen niet achter kunnen blijven. Van het een komt het ander.” De eenvoudige marketingtechnieken werden gebruikt, zoals leuk drukwerk, slogans, een mascotte, en een eigen kleur, geel. “Soms”, vertelt De Kleijn, “trok ik dan mijn gele pak aan, zette mijn gele hoed op, en ging dan naar een vergadering van woningsbouwverengingen die niet scheutig waren met hun medewerking. Soms was de wethouder erbij met een gele bril op. We vroegen dan tien minuten spreektijd en we voerden een beetje aardige act op, en we zeiden: kom op, doe niet zo kinderachtig!”

“Nou, als ze toestemden stond het de volgende dag in de krant - hadden ze een goede pers. Vier jaar lang heb ik niet anders dan goed nieuws verspreid. Het Rotterdams Dagblad heeft fantastisch meegewerkt. Je had daar Cor Kegel, die er iedere dag in een rubriek wel aandacht aan besteedde. Als instelling had het Rotterdamse Dagblad er natuurlijk belang bij, dat wilde ook graag meer lezers onder de 'Opzoomeraars'. Iederéén had zo zijn eigen belang, al was het maar de status die het meedoen via de publiciteit kreeg.” De Kleijn deed onverbloemd een beroep op het plaatselijk chauvinisme - “mensen willen trots zijn op hun stad”.

En dan nu de bedenkingen. Het nieuwe welzijnswerk is zwak in cijfers. Wat er verder ook aan goeds gedaan mocht zijn, de werkloosheid stijgt, en het gevoel van onveiligheid blijft op zijn best gelijk. De vreemdelingenhaat neemt toe.

De Kleijn heeft daar min of meer een antwoord op. “De kijk op de sociale werkelijkheid is veranderd, hoop ik”, zei hij onlangs in een lezing. “Elke keer wanneer ik kon zeggen: 'Weet u dat er evenveel ondernemers in de regio Rijmond zijn als langdurig werklozen?', oogstte ik verbazing. We zijn gewend om werkloosheid als iets massiefs voor te stellen en ondernemers als een verzameling individuen. Elke aanpak van werkloosheid die werklozen niet ziet als een verzameling individuen is tot mislukken gedoemd. Kleinschalig, één voor één; dat is het recept. Wanneer sociale problematiek zo gedefinieerd wordt dat elke individuele verantwoordelijkheid wegvalt dan werk je de onoplosbaarheid in de hand.”

Eén voor één, dat zeggen de vernieuwers overal. Het is ook het besef dat de behoefte aan sociale samenhang, aan verantwoordelijkheidsbesef, niet beperkt kan blijven tot slechte buurten en arme mensen. Als je dan hoort dat dat hier en daar soms echt lijkt te lukken is het moeilijk een licht gevoel van optimisme te onderdrukken.