De doden zijn gezegend in Rwanda; Gruwelijkheden kruisen pad van het Rwandees Patriottisch Front

Sinds begin april zijn er enkele honderdduizenden doden in Rwanda gevallen. De slachtpartijen tussen Hutu's en Tutsi's gaan onder het oog van de wereld gewoon door. Het rebellenleger rukt op door een decor van dood en vernietiging. De vloek van het overleven - achter het front met het RPF.

Een hand dobbert in het bruine water. De wilde stroom van de Akanjaru-rivier probeert de ledematen af te voeren. Tientallen lichamen zitten vast onder de ingestorte brug. Vluchtende regeringssoldaten bliezen de brug een paar dagen geleden op, juist toen ontheemde burgers de rivier wilden oversteken. Soldaten van het Rwandese Patriotische Front (RPF) leggen nu een noodbrug van boomstammen aan naast het verwrongen staal. Deze verbinding is van groot militair belang voor de aanvoer van RPF-soldaten naar het front bij Giterama, waar de regering zich ophoudt.

Lijken, overal lijken. Steeds opnieuw dringt de dikke stank van rottend mensenvlees de auto binnen. Tony, mijn begeleider van het RPF, grijpt naar zijn zakdoek en drukt deze tegen neus en mond. “Kijk, zie je die kerk daar”, wijst Jean Baptiste, onze chauffeur. “Toen de Hutu-milities dit gehucht binnenkwanen, dwongen ze de priesters voor hen te bidden. Daarna maakten ze de honderd vluchtelingen af die veiligheid in de kerk hadden gezocht.” Tien kilometer buiten het dorpje leidt Tony ons naar een heuveltje. “Hier begroeven we vorige week 250 burgers. Iets verderop ligt een kazerne, we troffen er vijftig lijken aan.”

Tony en Jean Baptiste willen uitvinden of hun familieleden nog leven in de vier dagen geleden door het RPF ingenomen stad Nyanza in het midden van het land. De rivier de Akanyaru scheidt ons van centraal-Rwanda, waar sinds enkele dagen de stijd zich concentreert tussen het regeringsleger en de Hutu-milities enerzijds en aan de andere kant het RPF. Bij de vernietigde brug lopen we over de in de rivierbedding verspreide geraamtes en huisraad we naar een bootje. De boot zakt diep in het water als RPF-stijders er een stuk afweergeschut op plaatsen. We zetten ons op de dozen munitie en laten ons met een lang touw naar de overkant trekken. In het midden vaart een bootje in tegengestelde richting. “Je hele familie is uitgemoord, het heeft geen zin meer voor je om naar Nyanza te reizen”, roept een passagier met een grote pan op zijn hoofd naar Tony. “Dat vermoedde ik al”, mompelt Tony. Een uitdrukking van berusting staat op zijn jonge gezicht. Hij pakt een kist munitie en gooit deze met een harde klap op de modderige wal.

Honderden mannen, gestoken in felroze uniformen, gaan druppelsgewijs in de bootjes naar de andere kant. Ze steken schoon en onschuldig af bij de grauwsluier die de oorlog over dit criminele land heeft getrokken. Drie dagen geleden haalde het RPF hen uit de gevangenis van Nyanza. De meesten van hen zijn gewone dieven en moordenaars van voor de oorlog. “Dank aan het RPF”, lacht een boekhouder die de zaak oplichtte, “we willen voor het RPF gaan vechten.”

Als de zon haar warmte heeft verloren beginnen lange rijen RPF-strijders aan hun mars naar het front bij Giterama. Ze gaan gekleed in piekfijne militaire uniformen, alsof hun kleding is gestreken. Ze dragen kaplaarzen of hoge leren schoenen. Op hun hoofden rusten kisten met kogels, vier jongens dragen de buis waarmee mortiergranaten worden afgevuurd, anderen trekken het stuk luchtafweergeschut op wielen. Het RPF is goed bewapend en relatief goed gedisciplineerd. Er heerst een hoog moreel. In the mood klinkt uit de radio van een soldaat die luistert naar een documentaire over de landing bij Normandië.

“We kopen onze wapens op de internationale markt, met schenkingen van de over de hele wereld verspreide Rwandese diaspora”, betoogt RPF's militaire leider Paul Kagame (37). Hij komt zojuist van het front om de voortgang bij de bouw van de noodbrug te inspecteren. Achter zijn verlegen glimlach en studentenbrilletje gaat een intelligent maar hard militair leider schuil. Kritische vragen, zoals over de stilzwijgende steun van Oeganda aan het RPF, ontwijkt hij.

Als reden voor zijn opstand noemt Kagame de dictatuur die heerste onder de vermoorde Hutu-president Juvenal Habyiramana. Hij verzwijgt de specifieke historische en tribale eigenschappen van zijn beweging. Het RPF vormde nooit een nationale bevrijdingsbeweging. Het Front bestaat voornamelijk uit Tutsi's die, hoewel zij een minderheid vormen in Rwanda, tot 1959 de macht uitoefenden. De rebellen begonnen in 1990 vanuit Oeganda met hun guerrilla. Ze wilden het recht op terugkeer naar Rwanda afdwingen van honderdduizenden Tutsi's in Oeganda, die daar in 1959 na een opstand van de Hutu-meerderheid naar toe waren gevlucht.

De militaire invasie van het RPF ontlokte een reactie van Hutu-extremisten. Zij gingen met medeweten van president Habyiramana en in samenwerking met regeringsofficieren Hutu-milities opleiden in speciale kampen in Gabiro en Bigogwé. De jonge recruten van de Hutu-milities ondergingen een hersenspoeling en een opleiding in massamoorden. Alle Tutsi's moeten worden uitgemoord als zij door middel van het RPF proberen een nieuwe Tutsi-dynastie te vestigen, werd hen geleerd. Eind februari dit jaar hielden de milities een 'generale repetitie' en doodden enkele honderden Tutsi's in de hoofdstad Kigali.

Het startsein voor de geplande genocide kwam met de raketaanval op het vliegtuig van Habyiramana in de avond van zes april. De president had zich tot ergernis van de Hutu-extremisten op een vredesconferentie in de Tanzaniaanse hoofdstad Dar-es-Salaam bereid getoond een akkoord te sluiten met het RPF over een deling van de macht. Besloten werd hem uit te schakelen. Onmiddellijk daarna, met de lijsten in de hand, begonnen de milities systematisch honderdduizenden Tutsi's uit te roeien. Tevens werd een hele klasse gematigde Hutu-politici neergemaaid die tot een overeenkomst met het RPF had willen komen. De opgehitste Hutu-milities in samenwerking met regeringssoldaten ontketenden een bloedbad zonder precedent in de recente geschiedenis. Het RPF probeert het moorden te stoppen, daarom blinken zij in de radicaal gewijzigde politieke en tribale machtsverhoudingen van Rwanda nu uit als 'de goeden'.

Explosieven

We volgen in de voetstappen van de militairen. De zon zakt achter een acaciaboom waarop zich een tiental kraanvogels heeft genesteld voor de nacht. Na een uur laten we de marcherende soldaten hun weg gaan en kiezen aan de kant van het pad een huisje voor de nacht. Aan lege woningen geen gebrek: van de ruim zeven miljoen inwoners vluchtten er een miljoen naar het buitenland, twee miljoen raakten ontheemd binnen de landsgrenzen en honderdduizenden werden gedood. De groene heuvels met bananenbomen en gierst-akkers zijn ontvolkt geraakt. Verdwaasde koeien en honden zoeken er naar hun bazen.

Tony onderzoekt het huisje op truc-mijnen. “De vluchtende regeringstroepen laten deze explosieven bewust in woningen achter”, legt hij uit. “Zouden burgers dan terugkeren naar hun huizen in RPF-gebied, dan vliegen ze onmiddellijk de lucht in.” Jean Baptiste vindt net achter de deur onder het stro een onontplofte granaat. “Begrijp je wat ik bedoel”, zegt Tony op belerende toon, “oorlog is geen picknick!” Hongerig vallen we in slaap. Een militair houdt de wacht want er zouden zich nog wel eens Hutu-militieleden in de omgeving kunnen ophouden.

De volgende ochtend rijdt een auto met kapotgeschoten ruiten langs. We kunnen mee naar Nyanza. Opnieuw begeleidt de geur van rottend vlees ons. Aan een boomstam is het lichaam van een man gebonden, de grote wond in zijn nek doet zijn hoofd scheef hangen. In de bermen liggen potten en pannen, kapmessen, kleren, koffers, schoolschriftjes en de bijbel. Tussen zeven opgezwollen lijken van regeringssoldaten staat een kinderfietsje. Op een eettafel opereert een RPF-strijder zijn gewonde kameraad. Hij hecht een gapende wond in diens gezicht, zonder verdoving.

Nyanza was de zetel van de Tutsi-koning, totdat met een revolutie in 1959 van de Hutu-meerderheid een einde kwam aan de feodale heerschappij. Het huis van de weduwe van de majesteit blijkt te zijn geplunderd, de bewakers van zijn paleis zijn vermoord. Een paar honden lopen door de verlaten hoofdstraat. Opnieuw de overweldigende geur van de dood. Een diepe put bij een ingestort huis zit volgepropt met lijken. Het ongedierte heeft de overmacht.

“Alle Tutsi's gingen eraan”, vertelt pater Mursi Gianbuigi. Hij is een van de heel weinige buitenlanders die achterbleef in Rwanda. Hij beschermde zevenhonderd oorlogswezen door ze in de kelder te verbergen. Toen de milities de kinderen vonden en de Tutsi's onder hen wilden weghalen en executeren, bood Mursi ze al het geld van het weeshuis. Met 26.000 dollar namen ze genoegen, maar niet dan nadat ze alle auto's kapot hadden geschoten. De pater huilt als hij zijn verhaal vertelt, de kinderen die zich aan hem vastklampen kuchen.

Emmanuel Bonani is 10 jaar. Hij is afkomstig uit Kigali. “Enkele uren na de dood van president Habyiramana begonnen de moorden”, herinnert hij zich. “Mijn broers, mijn zusters, ze vluchtten in paniek alle kanten uit. Ze zijn dood, heeft iemand me verteld. Ik sloot me aan bij een groep vreemdelingen en bereikte Nyanza.” Hij stopt, maar de emoties lijken hem niet meer te kunnen kwellen. “Ik ben niets meer, ik heb niets meer, niemand, niets.”

Verband

In het gisteren ingerichte ziekenhuis voor oorlogsslachtoffers van het Rode Kruis lopen medewerkers met brancards af en aan. De vier buitenlanders dragen lichte uniformen om op te vallen, de Rwandese hulpverleners gaan in zwarte kledij om juist geen aandacht te trekken. Hun ogen trillen, hun stemmen stotteren. Voor slapen blijft nauwelijks tijd in Rwanda en wanneer er eventjes rust heerst dan keren de gruwelijkheden terug op het netvlies. Het ziekenhuis heeft geen water, geen electriciteit en geen keuken.

Diana is negen jaar. Haar gezicht, benen en armen zitten ingepakt met verband. “Ik zag hoe ze mijn vader en broers met messen doodstaken. Mijn moeder knuppelden ze dood”, zegt ze. “Mij lieten ze voor dood achter. Ik ken niemand hier.” Naast haar ligt een jochie met een afgehakte hand en een uitgestoken oog. Daarnaast een man van middelbare leeftijd. Hij overleefde de moordpartijen maar toen kwamen de regeringstroepen hem uit een ziekenhuis in Kabgayi halen. “Ze lachten toen ze mijn verwondingen zagen. Ze zeiden: Ach, die gaat wel vanzelf dood, laat hem maar.”

“De meeste slachtoffers die ze ons ziekenhuis in Kabgayi binnenbrachten”, vertelt een buitenlandse chirurg, “waren niet meer dan hoopjes beenderen. Het enige wat we konden doen, was ze verdovende middelen te geven tot ze stierven. Nooit eerder zag ik zulke verwondingen, ik begrijp niet hoe ze oren en geslachtsdelen kunnen afhakken, schedels inslaan en achillespezen doorsnijden.” Een Rwandese Rode-Kruis-medewerker verzoekt me geen foto's van hem en zijn collega's te maken. “Mijn familie leeft nog in regeringsgebied, ik ben een Hutu”, legt hij uit. “Als de regeringssoldaten erachter komen dat ik slachtoffers help, dan zullen ze al mijn familieleden uitmoorden.”

Tony en ik lopen naar onze verblijfplaats voor die nacht: een schoollokaal van de katholieke missie. Alle priesters van de parochie werden er vorige maand vermoord. Jean Baptiste komt aanrennen. Hij heeft goed nieuws: een van zijn dochters leeft nog! Zijn vrouw en drie andere dochters blijken te zijn gedood. Nog meer goed nieuws bereikt ons. Vanavond is er eten en in een regenton bevindt zich nog wat drinkwater. We slachten een geit. In Rwanda is het leven van een geit meer waard dan een mensenleven.

Ballingen

Onder de kraakheldere sterrenhemel bij een kampvuur komen de verhalen los onder de RPF-strijders. Velen van hen brachten hun jeugd door in Oeganda als kinderen van in 1959 uitgeweken Tutsi-ballingen. Daarom spreken ze Engels en geen Frans, zoals gebruikelijk in dit voormalige Belgische domein. “Mijn ouders voedden me in Oeganda altijd met verhalen over mijn cultuur en mijn vaderland”, begint commandant Fred. Hij kluift aan een bot. Militanten van de regeringspartij van de toenmalige president Milton Obote begonnen in het begin van de jaren tachtig de Tutsi-vluchtelingen te vervolgen en te doden. De Rwandese regering verbood de Tutsi's terug te keren naar hun vaderland en in Oeganda waren ze nu ook niet meer veilig. De jongeren onder hen sloten zich daarop aan bij het rebellenleger van Yoweri Museveni, die in 1986 president van Oeganda zou worden. “Op school, overal werd ons duidelijk gemaakt dat we er als ballingen niet bijhoorden. In mijn hart wist ik dat ik eens naar Rwanda moest terugkeren.”

Er wordt gelachen, de RPF-soldaten zijn de enigen in Rwanda die nog kunnen lachen. Bosco vertelt het ongelooflijke verhaal hoe in de nacht van 30 september 1990 drieduizend soldaten van Rwandese afkomst deserteerden uit het Oegandese leger van de inmiddels president geworden Yoweri Museveni. “We hadden in de beginjaren tachtig voor Museveni gevochten in de bush, maar we wisten dat onze eindstrijd zich in Rwanda zou afspelen. We smeedden een plan, niemand wist ervan, ook Museveni niet. We reden met onze wapens naar de grens en gooiden onze Oegandese insignes weg. Zo begonnen we de strijd.”

De intieme sfeer laat geen leugens toe, zo lijkt het. Om twijfels weg te nemen, voegt Bosco eraan toe: “O ja, ik kan me best voorstellen dat de Rwandese regering ons een Oegandees invasieleger noemt. Maar echt, we zijn Rwandezen.” Bedrijven de RPF-strijders ook misdaden? RPF-soldaten erkennen dat enkelen van hen soms uit wraak gevangen genomen leden van de Hutu-milities doden. “Wat denk je als mijn jongens hun hele familie uitgemoord aantreffen”, verdedigt een commandant zijn mannen. “Ik kan ze niet altijd in de hand houden.” In de moorddadige omgeving van Rwanda kunnen deze 'incidentele' moorden enig begrip oproepen. 'Goed' en 'kwaad' hebben een andere betekenis gekregen.

Vervloekt

Een oude man kruipt naar het kampvuur. Het is de 54-jarige Alorius. Vanmiddag luisterde hij in zijn schuilplaats in het moeras een gesprek af. Zo hoorde hij voor het eerst van de komst in Nyanza van het RPF. Zijn vrouw en vier kinderen werden in april afgeslacht. Zeven weken lang verborg hij zich in de bush en at rauwe aardappelen. Hij huivert. Iedere Rwandees heeft een griezelverhaal te vertellen.

De overlevenden zijn vervloekt. Na zonsopgang trekken we noordwaarts naar het stadje Ruhango, vlak achter het front bij Giterama. Ongeveer dertigduizend ontheemden uit het zojuist door het RPF ingenomen gehucht Kabgayi zijn hier naartoe getrokken. In een bos eucalyptusbomen streken ze neer. Niemand helpt, hulporganisaties bereikten dit gebied niet. Een bruin stroompje sijpelt uit de broekspijpen van een stervende man. Hij grijpt met zijn handen naar een boomstam, in een poging zich uit zijn uitwerpselen te trekken. Het ontbreekt hem aan kracht, maar hij blijft proberen.

Hassan Mazimhaka laat de dikke korsten in zijn nek zien. Angst staat in zijn ogen. Zijn nek bleek te dik voor het kapmes. Een vrouw vertelt hoe in het ontheemdenkamp in Kabgayi de regeringssoldaten en milities iedere dag een tiental Tutsi-mannen weghaalden en executeerden. Haar 14-jarige zoon Patrick moest helpen een massagraf te graven en vervolgens de lichamen erin te gooien. Daarna dwongen ze hem er zelf in te springen. De militieleden schoven met een bulldozer aarde over het graf en begroeven haar zoon levend.

In een hal in Ruhango liggen tweehonderd ouderen en kinderen te sterven. Tony assisteert om een zojuist gestorven man naar buiten te dragen. Jean Baptiste probeert een vrouw pap te voeren. Ze kan niet meer eten, de pap stroomt langs haar kin op de stenen vloer. Haar kindje krijst. Doden zijn gezegend in Rwanda.

Een sprankje hoop. Antoine Harimana is een Hutu. In zijn dorpje bevalen de Hutu-militieleden de bevolking alle Tutsi's af te slachten. “De dorpsbewoners weigerden”, vertelt hij. “Wij zeiden: we willen onze Tutsi-broeders niet doden.” De militieleden vermoordden uit wraak tien Hutu's, maar de Tutsi's wisten te ontkomen. In een ander dorp verborg een Tutsi-vrouw zich in een hol onder haar bed, zeven weken lang. Vlakbij haar huis bevond zich een wegversperring waar Hutu-milities Tutsi's vermoordden. In het geheim bracht haar vriendin, een Hutu, haar iedere dag een hapje eten. De vriendschap tussen deze Hutu- en Tutsi-vrouw bleek sterker dan de waanzinnige moordlust die de milities in Rwanda hebben ontketend: de Tutsi-vrouw leeft.