De betrekkelijkheid van stoom

F.J.M. van den Eerenbeemt: Op zoek naar het zachte goud. Pogingen tot innovatie via een zijdeteelt in Nederland 17e-20e eeuw 294 + xi blz., Gianotten 1993, ƒ 34,90

H.W. Lintsen (hoofdred.): Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel 3: katoen, gas, licht en elektriciteit, bouwen 359 blz., Walburg Pers/Stichting Historie der Techniek 1993, ƒ 78,50, bij intekening op de serie ƒ 69,50

H.W. Lintsen (hoofdred.): Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel 4: delfstoffen, machine- en scheepsbouw, stoom, chemie, telegrafie en telefonie 352 blz., Walburg Pers/Stichting Historie der Techniek 1993, ƒ 78,50, bij intekening op de serie ƒ 69,50

Amsterdam behoorde in de zeventiende en achttiende eeuw tot de voornaamste zijdemarkten van Europa. De stad kende evenals Haarlem, Leiden en Utrecht een omvangrijke zijdenijverheid. De Nederlandse zijdenijverheid was echter een verwerkende industrie. De ruwe zijde werd over het algemeen in balen aangevoerd uit Frankrijk, Spanje en Italië, en later vooral ook uit China, India, Perzië en het Midden-Oosten. Menigeen associeerde de kweek van zijderupsen dan ook met een warm klimaat. Toch zijn er altijd mensen geweest die zich niet wensten neer te leggen bij dit kennelijke dictaat van het klimaat. De fascinatie met de kostbare grondstof, die in de zestiende eeuw per kilo even duur was als goud, heeft door de eeuwen heen velen doen proberen ook in Nederland zijderupsen te kweken, met wisselend succes.

Zijderupsen zijn kieskeurig in hun voedselkeuze. Bladeren van de witte moerbeiboom, daar zijn ze dol op. De meeste latere pogingen op in Nederland zijdeteelt van de grond te krijgen begonnen dan ook met de aanplant van deze bomen. De doorgaans uit Frankrijk of Italië geïmporteerde bomen bleken hier uitstekend te gedijen. Dus ook voor deze schakel in de keten van de zijdeproduktie vormde het kille Hollandse klimaat geen beletsel.

Zijdeteelt in Nederland was technisch mogelijk. Dat werd keer op keer aangetoond door talrijke bevlogen individuen. Toch slaagden zij er geen van allen in de slag te maken van experiment naar commerciële exploitatie. Gedetailleerd beschrijft vde historicus H.F.J.M. van den Eerenbeemt wat hij over al deze pogingen in archieven heeft kunnen terugvinden. Soms is dat niet veel meer dan de aanduiding dat iemand op een bepaalde plaats in een bepaald jaar heeft geëxperimenteerd met de teelt van zijderupsen. Maar er zijn ook enkele figuren die veel meer sporen hebben achtergelaten, zoals de patriot W.H. van Hasselt aan het eind van de achttiende eeuw, de Fransman C.H. Berail en de belastingambtenaar R. Dufour in het tweede kwart van de negentiende eeuw.

Bij Van Hasselt, werkzaam als advocaat in Arnhem, waren de wens om nieuwe welvaart te scheppen voor het volk en de belangstelling voor proefondervindelijk onderzoek nauw met elkaar verweven. Hij begon in de jaren zestig systematisch te experimenteren met de aanplant van moerbeibomen: wilde en tamme, hoogstammig en in hegvorm. Na tien jaar waren de eerste bomen zover gegroeid dat zelf vruchten en zaad voortbrachten, zodat hij geen zaad meer hoefde te importeren. Uit eigen zaad kweekte hij vervolgens enige duizenden bomen op zijn landgoed bij Zutphen. Met het zelf kweken van zijderupsen begon hij pas toen hij voldoende voedsel voor ze had in de vorm van moerbeiblad. Ook daarmee nam hij eerst tal van proeven. Op den duur slaagde Van Hasselt erin cocons te kweken die net zo groot waren als die uit zuidelijker landen. Ook de kwaliteit van de daaruit gewonnen zijde kon de vergelijking met Franse zijde glansrijk doorstaan.

Van Hasselt is in 1781 naar Amerika geëmigreerd, vol geestdrift voor de vrijheidsoorlog en teleurgesteld in het gebrek aan dynamiek in eigen land. Hoe het de zijdeteelt in Zutphen is vergaan is onduidelijk: de sporen drogen op met het vertrek van Van Hasselt. Een succes is het kennelijk niet geworden.

Het voorbeeld van Van Hasselt is symptomatisch voor pogingen in Nederland zijdeteelt te ontwikkelen. Alle pogingen waren nauw verbonden met het enthousiasme van een individu. Indien die overleed, emigreerde of bankroet raakte, strandde het initiatief.

Katoen

De geschiedenis van de Nederlandse zijdeteelt vormt een wonderlijk verhaal en het is de grote verdienste van Van den Eerenbeemt dat hij de puzzelstukjes daarvoor bijeen heeft gesprokkeld. In zijn beschrijvingen blijft hij dicht bij zijn bronnen. Dat maakt het verhaal controleerbaar, maar levert samen met zijn weinig levendige schrijfstijl een droge tekst op. Het grootste manco van het boek is de uitgever aan te rekenen: het bevat geen enkele illustratie. Uitgever Gianotten moet maar eens in de leer bij de Walburg Pers. De door deze uitgever samen met de Stichting Historie der Techniek uitgegeven zesdelige serie over de geschiedenis van de techniek in Nederland in de negentiende eeuw is een model voor het gebruik van illustraties in serieuze geschiedkundige werken. Op vrijwel elke pagina van deze op groot formaat uitgegeven boeken staan reprodukties van gravures, houtsnedes, foto's, tekeningen en schilderijen.

Onlangs zijn de delen 3 en 4 van deze serie verschenen. Beide bevatten de geschiedenissen van een aantal branches en zijn daarom zonder enig bezwaar als afzonderlijk boek te lezen. Niet alleen in het gebruik van illustraties, maar ook in de aanzet tot analyse gaan deze boeken verder dan dat van Van den Eerenbeemt. Hoe groot was de achterstand in technisch opzicht van de Nederlandse katoenindustrie op de Engelse, vragen auteurs zich af. Beschikte de Nederlandse economie over voldoende middelen om een eigen katoenindustrie op te zetten? Was die industrie concurrerend op de internationale markt? Waren de in Engeland ontwikkelde nieuwe technieken bruikbaar in de Nederlandse context? Welke rol speelde de overheid bij de introductie van nieuwe technieken? Die vragen wijzen de lezer de weg in de tekst.

Hoewel de Britse katoenindustrie nog steeds te boek staat als de gangmaker van de industriële revolutie, is deze positie door nauwgezet empirisch onderzoek steeds verder ondergraven. Deze relativering van de industrialisering van de Britse katoen plaatst de vraag naar het waarom van de late mechanisering van de Nederlandse katoen in een ander daglicht. Al snel maken de auteurs van de hoofdstukken over de textiel duidelijk dat je niet kunt spreken van de mechanisering van de katoenindustrie. De drie hoofdprocessen spinnen, weven en bedrukken kenden elk hun eigen marktverhoudingen en hun eigen mechaniseringstrajecten.

Spinnen was aan het eind van de achttiende eeuw vooral huisnijverheid. Toch werd in Utrecht al in 1779 een grootschalige mechanische spinnerij opgericht, waar de spinmachines met waterkracht werden aangedreven. Het op Engelse leest geschoeide bedrijf was - in Nederland - zijn tijd ver vooruit, maar het heeft het eind van de eeuw niet gehaald. Helaas blijft onduidelijk hoe dat kwam.

De duizenden thuisspinsters in Twente konden de groeiende locale vraag naar garen rond de eeuwwisseling niet aan. Twentse weeffabrikanten trokken spinmeesters aan uit Duitsland, die daar reeds toegepaste machines introduceerden. Het duurde echter een jaar of dertig eer de spinlokalen met hun mechanische spinapparaten de huisnijverheid geheel verdrongen. Stoomaandrijving werd in 1820 voor het eerst toegepast, maar in 1850 telde Nederland nog altijd slechts drie stoomspinnerijen. De vele tientallen mechanische spinnerijen gingen niet tot stoomaandrijving over, omdat de daarvoor benodigde investeringen hun draagkracht verre te boven gingen. Pas rond het midden van de eeuw kwam de opmars van stoom op gang, om binnen twee decennia de branche te domineren.

Snelschietspoel

Dat de handspinnerijen in Twente konden floreren was in de eerste plaats te danken aan de lage arbeidskosten. Deze lagen daar zo'n 25 procent lager dan in Holland en 35 procent lager dan in Engeland. Dit kostenvoordeel woog in de eerst helft van de eeuw ruimschoots op tegen de schaalvoordelen van stoomspinnerijen met hun dure buitenlandse vakkrachten en hoge investeringen. Bovendien was door de gebrekkig ontwikkelde infrastructuur binnenlands transport over land erg kostbaar. Dat maakte niet alleen het transport van kolen naar Twente duur, maar ook dat van buitenlands katoengaren.

In de weefbranche zorgde een protectionistische politiek lang voor bescherming van de Hollandse weverijen. Toch hadden ook in deze sector de Twentse weverijen decennia lang meer succes dan de 'modernere' Hollandse stoomweverijen. Dat was niet alleen een kostenkwestie. In de Twentse nijverheid werd gebruik gemaakt van de allermodernste en technisch uitontwikkelde snelweefgetouwen. Deze konden in veel opzichten de concurrentie met de nog relatief jonge en gebrekkige power-looms uitstekend aan.

Snelschietspoelen en handspinmachines bereikten rond 1850 het toppunt van hun produktiviteit. De stijgende lonen in de huisnijverheid konden niet langer met meer produktie worden gecompenseerd. In de gemechaniseerde fabrieken bleef de produktiviteit wel stijgen, zodat de schaalvoordelen langzamerhand doorslaggevend werden. Tevens konden machines makkelijker werden geïmporteerd en nam de technische vakkennis in Nederland toe. Dat de Twentse textiel pas in de tweede helft van de negentiende eeuw overschakelde op stoomaandrijving en grootschaligheid is dan ook geen teken van achterlijkheid, maar van andere omstandigheden dan in Engeland. Want ook zonder stoom had zich een economisch succesvolle bedrijfstak ontwikkeld.

In het vierde deel van de serie komen de machinebouw en de stoomkracht zelf uitvoerig aan de orde. Technisch vooruitstrevende lieden klaagden in de eerste helft van de negentiende eeuw volop dat Nederland mijlen achterliep. Waar in 1850 reeds de helft van het opgestelde mechanische vermogen in Engeland uit stoommachines bestond, was dit in Nederland nog maar vier procent. Het voorbeeld van de katoen liet al zien dat het aantal stoommachines een gebrekkige maatstaf is voor economisch en technisch kunnen.

Stoom is het symbool bij uitstek van de industriële revolutie, maar wie die revolutie wil bestuderen en begrijpen moet zich niet blind staren op stoom. Stoomtechniek was immers geen doel op zichzelf, betoogt de hoofdredacteur H. Lintsen in een inleidend hoofdstuk in deel vier. Stoom was een middel om winst te maken, om continu te kunnen produceren, om marktaandeel te verwerven, de welvaart te verhogen of de arbeid te verlichten. Maar om die doelstellingen te realiseren hadden betrokkenen de keuze uit een rijk palet aan technische middelen. Ook met regelgeving, organisatie en marktstrategie konden de doelstellingen dichterbij worden gebracht. Binnen die combinatie van factoren kon de rol van techniek van geval tot geval anders zijn.

De branchestudies in de eerste vier delen van de serie Geschiedenis van de techniek in Nederland laten zien dat het wel of niet succesvol zijn van technische veranderingen van plaats tot plaats sterk kan verschillen. Technieken die als 'modern' gelden moesten vaak decennia lang met weinig succes opboksen tegen zeer efficiënte, 'ouderwetse' technieken als windmolens en snelweefgetouwen. Technische modernisering en economisch succes gaan zeker niet altijd hand in hand, in de negentiende eeuw niet, maar nu ook niet. Als deze eerste vier delen iets leren is het wel dat verklaringen voor het succes van een bepaalde techniek zelden eenvoudig zijn.