Brentano's

Klaus Günzel: Die Brentanos, eine deutsche Familiengeschichte

129 blz, Artemis und Winkler Verlag 1993, ƒ 125,-

In het Engelse taalgebied is de familiegeschiedenis een veelbeoefend genre. The Cecils of Hatfield House bij voorbeeld, in 1973 geschreven door een nazaat van deze in de 16de eeuw tot aanzien gekomen familie, is inmiddels een classic geworden. In Duitsland en Nederland is dit type geschiedschrijving nog zeldzaam. Klaus Günzel heeft in kranten en weekbladen als Die Zeit tal van essays gepubliceerd over historische persoonlijkheden en daarin een duidelijke voorkeur getoond voor kunstenaars en kunstminnende vorsten. Strikt genomen vallen veruit de meeste van de Brentano's in geen van beide categorieën. Zij waren - en zijn - leden van een aanzienlijke koopmansfamilie, uit het Noorditaliaanse Tremezzo afkomstig en sinds de 17de eeuw uitgezwermd over geheel Europa. Ook in Amsterdam woonde in het begin van de vorige eeuw een Brentano die om zijn schilderijencollectie befaamd was.

Het centrum van de dynastie evenwel bevond zich in Frankfurt waar Peter Anton Brentano in 1762 het burgerrecht had verworven en een huis 'Coppa d'ora' had laten bouwen dat in de volksmond Goldener Kopf heette. Deze pater familias, die ook in Günzels voor een breed publiek geschreven studie een centrale plaats inneemt, stond aan het hoofd van een Grobfamilie van 20 kinderen van wie Clemens en Bettina een vaste plaats hebben gekregen in de Duitse letterkunde. Peter Anton liet zo'n reusachtig vermogen na - 1 192 699 gulden - dat Clemens tot zijn dood in 1842 ruimschoots van het vaderlijk erfdeel kon leven en zelfs nog in staat was allerlei charitatieve projekten financieel te steunen. Günzel wil laten zien dat ook andere leden van de dynastie hun betekenis hebben gehad, maar jammer genoeg is zijn studie geen tableau vivant geworden van een kosmopolitische familie van kooplieden, geleerden en kunstenaars. Het fraai geïllustreerde boek heeft meer het karakter van een schets en afgebroken aan het einde van de 19de eeuw wanneer het 'Abendleuchten der Kunstperiode' is aangebroken en grimmiger tijden voor de deur staan.

Ook in onze eeuw speelden leden van deze familie echter een belangrijke rol. Heinrich von Brentano, jarenlang collega van Luns en éen van Adenauers getrouwste paladijnen, is wel de bekendste.

In de periode die Günzel behandelt is één van de opvallendste kenmerken van de Brentano's hun Italiaanse familiezin geweest die ook door al door tijdgenoten werd opgemerkt. Wanneer de broers huwen, beschouwen ook hun echtgenotes zich in korte tijd deel van de 'Sippe' en zelfs de mannen die in de familie Brentano trouwen, sluiten zich bij de machtige clan aan. Deze ongewone saamhorigheid is ongetwijfeld verleden tijd, maar wanneer is dit groepsbesef afgebrokkeld en door welke oorzaken?. Günzel stelt dit probleem zelfs niet aan de orde. Aan het begin van de 19de eeuw trouwden de katholieke Brentano's binnen de Pruisische protestantse adel, maar beschouwden zij dit zelf als een stijging op de maatschappelijk ladder? De vrouwelijke leden van de dynastie toonden zich vaak uiterst zelfbewust. Bettina Brentano, dochter van Peter Anton en getrouwd met Achim von Arnim, beschouwde de koopmansadel waaruit zij afkomstig was als verre superieur aan zo'n Pruisische familie van Krautjunkers en nog aan het einde van de 19de eeuw wees de bekende ekonoom Lujo Brentano de adelstitel af met een zelfbewust 'Der Name Brentano genügt sich selber'. De Brentano's die nu als Barone von Brentano nog op hun Weingut in Winkel am Rhein resideren hebben zich inmiddels al lang verzoend met de Duitse titelzucht.