Aziatische tijgers dreigen en lonken

Tijdens mijn laatste bezoek aan China kreeg ik van een van mijn gesprekspartners een wereldkaart die er heel anders uitziet dan we in Europa gewend zijn. Azië en de Stille Oceaan staan in het midden, Europa ligt aan de rand en is het Verre Westen geworden. Dan dringt pas echt tot je door dat deze wereldkaart met de Oostaziatische landen als centrum van de wereld, op niet al te lange termijn de nieuwe economische wereldorde zal blijken te zijn. Tegen het jaar 2000 woont tweederde van de wereldbevolking in Azië en meer dan één miljard Aziaten hebben dan een relatief hoge levensstandaard; de Chinese economie groeit nu gemiddeld dertien procent per jaar en is in het begin van de 21ste eeuw de grootste ter wereld. Het is wel duidelijk dat, als Nederland niet met een adequaat antwoord komt op deze revolutionaire veranderingen in de economische wereldverhoudingen, de rand van de economische wereldkaart angstwekkend dichtbij komt. We zullen dan steeds meer van onze concurrentiepositie moeten inleveren. Want: wàt er ook gebeurt, de Aziatische opmars is niet meer te stuiten.

De afgelopen jaren hebben het Nederlandse bedrijfsleven en de overheid hun inspanningen in Azië opgevoerd. Multinationals maar zeker ook het midden- en kleinbedrijf exporteren al veel meer naar de Aziatische landen dan voorheen. De Nederlandse investeringen in de regio zijn aanzienlijk. De stimulerende rol van de Nederlandse overheid begint vruchten af te werpen. Maar we profiteren nog veel te weinig van de ongekende mogelijkheden van de Aziatische markten. Er ontwikkelt zich in Azië in snel tempo een omvangrijke, koopkrachtige consumentenmarkt. Het is tekenend dat de export naar Azië nog maar zo'n drie procent van de totale Nederlandse uitvoer uitmaakt. Dat moet meer worden. Zeker ook omdat de groei op onze traditionele afzetmarkten vergeleken met Azië bescheiden zal blijven.

Het Nederlandse bedrijfsleven kan inspelen op de mogelijkheden van de Aziatische markten door exportstromen te vergroten. Of door lokale vestigingen op te zetten, die gebruik kunnen maken van het gunstige investeringsklimaat met de in overvloed aanwezige, goedkope produktiefactoren. Dat vermindert de kwetsbaarheid van de Nederlandse export. Maar tegelijkertijd kan het Nederlandse bedrijfsleven een grote rol spelen bij het wegnemen van knelpunten die onherroepelijk in Azië zullen ontstaan door de snelle economische groei. Bijvoorbeeld bij infrastructurele voorzieningen op het gebied van energievoorziening, landaanwinning, transport, distributie en communicatie. Op veel van deze terreinen heeft Nederland wereldwijd een hele goede reputatie. Dat geldt ook voor de milieutechnologie. Nu al hebben veel Aziatische steden te kampen met enorme milieuproblemen die ze niet zelf kunnen oplossen, omdat hun de vereiste know how ontbreekt.

Om een alerte reactie van het bedrijfsleven te vergemakkelijken, kan ons buitenlands economisch beleid niet blijven zoals het nu is. We moeten de instrumenten die de overheid heeft intensiever en doelgerichter op de Aziatische landen inzetten. Economische Zaken moet doorgaan op de ingeslagen weg en haar handelspromotionele activiteiten (missies, seminars, beurzen) vooral op Azië richten. Waar mogelijk moet verruiming van subsidiëring en verzekering van exporttransacties plaatsvinden en flexibeler toepassing ervan.Wederzijdse investeringen kunnen aantrekkelijker gemaakt worden door zogeheten investeringsbeschermingsovereenkomsten af te sluiten met bijvoorbeeld China en India. Landen als Zuid-Korea, Taiwan en Singapore hebben tegenwoordig al zeer geavanceerde 'high tech' kennis in huis. Nauwe technologische samenwerking en kennisuitwisseling - zoals we bijvoorbeeld al met Israel hebben - is in het voordeel van beide partijen. Zij leren wat van ons en wij kunnen wat van de Aziatische kennis opsteken. Er zijn al Nederlandse ondernemingen op deze manier bezig. Een voorbeeld is Philips, dat research & development-activiteiten voor zijn audio-divisie naar Singapore heeft overgebracht.

Economische Zaken is niet het enige departement dat een Aziëbeleid hoge prioriteit moet geven. Ook andere ministeries moeten doordrongen zijn van de noodzaak een bijdrage te leveren aan het op sterkte brengen van de Nederlandse leeuw. Bij ontwikkelingssamenwerking moet, naast armoedebestrijding en maatschappelijke ontwikkeling, de economische verzelfstandiging weer een stevige plaats in het beleid krijgen. Dat betekent dat er ook ruimte moet zijn om landen als Vietnam en de Filippijnen te helpen hun plaats in de economische wereldorde in te nemen. Wat is erop tegen om gebruik te maken van de expertise die we in Nederland hebben als het gaat om de aanleg van infrastructurele voorzieningen? Het mes snijdt aan twee kanten: Nederland kan een directe bijdrage leveren aan de modernisering van de economie van deze landen. Andere OESO-landen laten niet zelden hun bedrijfsleven profiteren van projectorders die voortvloeien uit ontwikkelingssamenwerking. Daar is ook niets op tegen.

Het ministerie van onderwijs en wetenschappen streeft er al langer naar de kennis van het bedrijfsleven en bepaalde beleidsdoelstellingen op elkaar te laten aansluiten. Zo zijn er programma's om de wetenschappelijke samenwerking met landen als Indonesië en China te bevorderen. Dat kan nog beter door het Nederlandse bedrijfsleven nadrukkelijker erbij te betrekken. Men werkt daar nu aan, bijvoorbeeld door een uitwisselingsprogramma voor technici uit bedrijven en onderzoeksinstituten op te zetten.

Ten slotte kan de samenstelling van de personeelsbezetting op onze ambassades verbeteren. Het aantal diplomaten dat zich nu in de Aziatische regio bezig houdt met de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven is erg beperkt in vergelijking met de landen die in Azië onze concurrenten zijn. Van de ongeveer 600 beleidsmedewerkers van Buitenlandse Zaken op de ambassades wereldwijd, houden zich maar zo'n dertig direct bezig met economisch werk in Azië! Dat is natuurlijk veel te weinig. De bezetting van onze ambassades zal veel meer een afspiegeling moeten worden van de veranderende internationale verhoudingen anno 1994. Als het Nederlandse diplomatieke netwerk in Azië dan ook nog nauw samenwerkt met bestaande particuliere steunpunten als Kamers van koophandel en handelskantoren, wordt er steeds meer mogelijk.

De razendsnelle ontwikkelingen in Azië maken een samenhangend Azië-beleid van de Nederlandse overheid steeds meer noodzakelijk. De Aziatische tijgers trekken zich niets aan van verkiezingen of kabinetsformaties in andere landen, zij gaan gewoon door. Wij mogen dus ook geen tijd verliezen. Voordat we door de Aziatische tijgers 'verscheurd' worden, moeten we komen met een goed doordacht antwoord op hun toenemende concurrentie. Slagen we daarin dan liggen de kansen voor het grijpen. Nederlandse bedrijven hebben al bewezen dat ze met succes op de Aziatische markten kunnen opereren. De Nederlandse leeuw hoeft beslist niet in zijn hemd te staan.