Aus! Aus! Aus! Aus! Weltmeister!

Tor!, Tor!, Tor!, Tor!, riep, nee: schreeuwde, radiocommentator Herbert Zimmermann die vreselijke vierde juli 1954 uit het Wankdorf Stadion in Bern naar zijn Westduitse luisteraars. Helmut Rahn, de rechtsbuiten van Rot Weiss uit de platgebombardeerde Krupp-stad Essen, had de Mannschaft vlak voor tijd en in stromende regen op een voorsprong van 3-2 gebracht in de finale om het wereldkampioenschap. De bal was in een plas blijven liggen - de Duitse spelers hadden elkaar vooraf al gelukgewenst met het weer - en Rahn hoefde alleen maar uit te halen voor zijn specialiteit: een zogeheten Flachschuss.

De rest van voetbalminnend Europa kreeg een brok in de keel: Hongarije, dat met onder anderen Puskas, Kocsis, Budai en Csibor het mooiste team van Europa had, was op achterstand gezet. Het had eerder in het toernooi met 8-3 van de Duitsers gewonnen. Maar dat was tegen een Duits B-team geweest, dat de slimme coach Josef 'Sepp' Herberger had laten aantreden in de wetenschap dat de nummers twee van elke landengroep ook naar de laatste acht overgingen.

Aus! Aus! Aus! Aus! Weltmeister!

, schreeuwde Zimmermann even later naar de huiskamers tussen Hamburg en Munchen. Hongarije had zijn eerste nederlaag in vier jaar geleden. Naast het al in vage contouren zichtbare 'Wirtschaftswunder', de 'Wundergreis' die CDU-kanselier Konrad Adenauer was (toen al 75), het 'Frauleinwunder' waarover de angelsaksische kranten bewonderend schreven, had de Bondsrepubliek nu bovendien nog het 'wonder van Bern'.

De kwaliteit van Herbergers 'wisseltruc' en de stemming in Europa werden even later met elkaar verbonden in een commentaar van Le Monde over de omstreden Europese Defensiegemeenschap (EDG). Dat blad maakte een vergelijking tussen Adenauer en Herberger, dat zou nog vaker gebeuren voor Herberger in 1962 en Adenauer in 1963 terugtrad, en schreef: “In Bern kwam Herberger eerst met een tweede keus maar voor de beslissende wedstrijd kwam hij met zijn sterkste team. Zal het met Adenauer en de EDG net zo gaan, zal de EDG niet het echte team zijn, zal uiteindelijk pas de echte ploeg aantreden, namelijk de nieuwe Wehrmacht?” Zes weken later ging de EDG in het Franse parlement ter ziele, de Bondsrepubliek werd lid van de Navo.

In Duitsland zelf was de wereldtitel voor de ploeg van Herberger en de al 34-jarige aanvoerder Fritz Walter veel meer dan 'zomaar' een succes voor een team dat als 'underdog' naar Zwitserland was gegaan en op de heenreis in de trein al op de hak was genomen door Zwitserse douaniers (“jullie denken toch niet dat jullie een kans maken?”). Nee, de speltechnisch matige Mannschaft van 'eenvoudige', 'eerlijke' en 'ijverige' spelers als Fritz en Ottmar Walter, Horst Eckel, Bernhard Klodt, Werner Kohlmeyer, Karl Mai, Max Morlock, Werner Liebrich, Helmut Rahn, Jupp Posipal, Hans Schafer en keeper Toni Turek had het verslagen, gedeelde en geminachte Duitsland op die vierde juli als het ware ook iets teruggeven waaraan het sinds de onvoorwaardelijke capitulatie van 8 mei 1945 een enorme behoefte had: enig zelfrespect, een plaatsje onder de zon, verdiend in de regen op het voetbalveld. Want althans daar gold voor veel Duitsers: Wir sind wieder wer. Wat elders in Europa dus voor nog een brok in de keel kon zorgen.

Dat 'wonder van Bern' was ook enigszins - en niet alleen bij de kapper of in de kroeg - een omslagmoment in de na-oorlogse Duitse geschiedenis. Nergens is dat duidelijker verbeeld dan in de slotscene van Rainer Werner Fassbinders film Die Ehe der Maria Braun. Daarin vieren de met het Wirtschaftswunder van Trummerfrau tot zakenvrouw geemancipeerde Hanna Schygulla en haar na negen jaar krijgsgevangenschap totaal ontredderd naar huis teruggekeerde man het weerzien terwijl het verslag van de wedstrijd in Bern uit de radio bralt. Schygulla heeft vergeten dat zij een tijdje daarvoor het gas (!) wel heeft aangedaan maar niet heeft aangestoken. Als zij een sigaret opsteekt ontploft haar huis terwijl het Aus! Aus! Aus! Aus! Weltmeister! klinkt.

Het eerste van de drie wereldkampioenschappen van de Bondsrepubliek na de oorlog, en het uitzinnige enthousiasme van de bevolking daarover, overviel 'de politiek' enigszins. Weliswaar was de Duitse samenleving na 1945, na de totale deconfiture van haar elites, veel 'platter' geworden maar de afstand tussen het 'proletarische' voetbal en bondspresident Theodor Heuss was bijvoorbeeld zo groot dat Heuss, toen aanvoerder Fritz Walter de spelers van zijn team aan hem voorstelde, belangstellend aan de middenvelder Max Morlock vroeg: “En u bent zeker de keeper?” Waarop de brave Morlock de situatie redde door te antwoorden: “Jazeker, meneer de bondspresident, ik ben de keeper.”

In 1958 wist Herberger, die de kern van zijn team uit 1954 had gehandhaafd, in Zweden nog wel moeizaam de laatste vier te halen, maar de klap die Duitsland in het duel om de derde plaats van Frankrijk kreeg (6-3) deed al even zeer als het besef dat de nieuwe wereldkampioen, Brazilie (met de 17-jarige Pele, Vava en Garrincha), werkelijk een straatlengte beter was dan de rest. In de Duitse media heette het bovendien nogal eens met een zeker zelfmedelijden dat alle andere deelnemers, als waren het de Geallieerden, uit waren geweest op het kloppen van de 'onverdiende' Duitse wereldkampioen uit 1954. De politiek had intussen wel de smaak te pakken. Franz-Josef Strauss (CSU), toen minister van defensie, was iedereen bijvoorbeeld te snel afgeweest door al voor de eerste wedstrijd zijn beste wensen aan de Mannschaft te sturen, uiteraard met kopie aan de media.

In 1962 bezorgde op het WK in Chili de bijna wereldwijde triomf van het defensieve spel, het catenaccio, het 'eenvoudig-eerlijke' en nog niet zo geprofessionaliseerde Duitse werkvoetbal een koude douche. Herbergers mannen werden door Joegoslavie al in de kwartfinales naar huis gestuurd, de oude Sepp zelf kreeg ontslag. Het jaar daarop voerde de Duitse voetbalbond de Bundesliga in.

Die organisatorische ingreep en de stevige generatiewisselingen binnen de Duitse (voetbal)wereld gingen in de jaren daarna veel betekenen. Er kwamen naast de 'traditioneel' spelende Duitse volksheld Uwe Seeler (HSV), ook qua populariteit bij uitstek opvolger van Fritz Walter, nieuwe, bijna 'onduits-artistieke' spelers aan. Spelers uit jaargangen na 1939-'40 als Helmut Haller (Augsburg), Franz Beckenbauer (Bayern Munchen), Wolfgang Overath (FC Koln), Gunter Netzer (Borussia Monchengladbach). En trainers als Hennes Weissweiler en Udo Lattek, die met hun clubs Borussia Monchengladbach en Bayern moderner, als het ware 'Europeser' gingen spelen.

De vrij 'onzichtbare' Herberger-opvolgers Helmut Schon en Jupp Derwall - 'Prosit, ich bin der Jupp' - raakten daardoor een beetje in de achterhand ten opzichte van de zelfbewuste vedettes die zij uit die clubteams kregen. Nog steeds gold, zoals voorheen en zoals vandaag nog geldt, wel dat het Duitse elftal in elk duel de volle 90 minuten hard en geconcentreerd blijft werken en dan ook vaak in de allerlaatste minuten nog zijn slag slaat. In 1966 greep Duitsland - met Overath en Beckenbauer als uitblinkers - er op Wembley in de finale tegen Engeland net naast. Dat kwam volgens veel Duitse liefhebbers misschien wel weer door een posterieure Geallieerde samenzwering, namelijk vooral doordat de Russische grensrechter Bachramov de Engelsman Geoff Hurst de bal via de lat achter de doellijn zag schieten (3-2) terwijl Duitse ogen die bal voor de doellijn hadden zien neerkomen. De Times berichtte de volgende dag over 'de geest van Stalingrad' en vergeleek de trainers Schon en Alf Ramsey met Rommel en Montgomery. Over dat 'doelpunt van Wembley' kan een Brit in een Duits cafe nog steeds beter niet praten. Klein probleem maar trouwens, want er komen even weinig Britten in Duitse cafe's als omgekeerd.

Het beste na-oorlogse Duitse WK-elftal was dat van 1970 in Mexico. Volgens de Duitse kranten speelde het 'droomvoetbal', al werd het uiteindelijk - na een nederlaag tegen Italie (4-3) in een verlengde halve finale - 'slechts' derde. Zelfbewuster waren de spelers, 'gepolitiseerder' ook, waarbij de Noordduitsers (Hamburg, Bremen) meer naar 'links' en de Zuidduitsers (die van Bayern vooral) naar 'rechts' neigden. Of meer dan neigden.

In 1970 noemde Beckenbauer bijvoorbeeld SPD-kanselier Willy Brandt “een nationaal ongeluk”. Een paar jaar later zei Kaiser Franz dat hij CSU-chef Strauss als kanselier wenste, “hij zou dat in elk geval hebben verdiend”.Over Over het WK 1974 hoeft in een Nederlandse krant niet veel te worden gezegd. Dat hotel in Hiltrup, waar Cruijff en zijn medespelers in de Bildzeitung lazen over de geschatte escapades van hun echtgenotes, waar het beste (en misschien ook wel het hardste) elftal vlak voor de finale in Munchen zowel psychische als fysieke schade begon te vertonen, waar Noord en Zuid, Amsterdam (Ajax) en Eindhoven (PSV), in de kleedkamer hun burgeroorlogjes hadden, dat been van Wim Jansen, de val van Bernd Holzenbein (nu vice-voorzitter en manager Eintracht Frankfurt), het brede achterwerk en de korte draai van de Bayern-spits Gerd Muller. De Bondsrepubliek twintig jaar na Bern dus weer wereldkampioen. Na een toernooi dat de scheidende SPD-president Gustav Heinemann sober had geopend en de nieuwe president, de FDP-Lebemann Lebemann Walter Scheel, met een feest mocht besluiten. Een toernooi dat was begonnen met een overwinning van de DDR op de Bondsrepubliek (1-0), een doelpunt van Jurgen Sparwasser, dat voor de Westduitsers dezelfde emotionele waarde had als die goal van Hurst op Wembley in 1966. In 1978 haalde de generatie-Beckenbauer, die zelf Duitsland was ontvlucht om bij de New York Cosmos te gaan spelen, de halve finales niet, na een nederlaag (3-2) tegen Oostenrijk en gelijke spelen tegen Italie (0-0) en Nederland (2-2).

Joachim Fest, hoofdredacteur van de Frankfurter Allgemeine, verweet DFB-praesus Hermann Neuberger, die Beckenbauer en de bij Real Madrid spelende Uli Stielike niet had laten selecteren, zich als een autoritaire Provinzkonig te gedragen. In 1982 was de Bondsrepubliek (in Spanje) weer finalist, maar moest Italie (3-1) laten voorgaan, zoals het zich vier jaar later in de finale (weer in Mexico, met Beckenbauer als trainer) gewonnen moest geven tegen Maradona's Argentinie. In 1990, in Italie, kwam in de finale - weer onder Beckenbauer - de revanche tegen Argentinie (1-0) en dus het derde na-oorlogse wereldkampioenschap. Nu moet Berti Vogts, vroeger verdediger van Borussia Monchengladbach, 68-voudig international en destijds ook bekend als Wadenbeisser (kuitenbijter), dadelijk in de VS die titel namens het verenigde Duitsland verdedigen. Zijn elftal is sterk, met een mooie mix aan ervaring (dertig-plussers als aanvoerder Lothar Matthaus, Guido Buchwald, Andy Brehme en - wellicht - Rudi Voller, die wegens zijn grijze lokken ook Tante Kathe heet) en jongeren als Andreas Moller (Juventus), Thomas Hassler (Roma), Thomas Strunz (Stuttgart), de Oostduitser Matthias Sammer (Dortmund) en de fraaie 'straatvoetballer' Mario Basler (Bremen).

Rudolf Scharping, partijvoorzitter en lijsttrekker van de SPD, was onlangs zo dom om - in de Bildzeitung ook nog - de CDU-stemmer en Kohl-vriend Berti Vogts te kritiseren en hem als trainer een Auslaufmodell wie Helmut Kohl te noemen. Kanselier Kohl was er in dit Duitse superverkiezingsjaar uiteraard snel bij om zich daarop vierkant “achter het Duitse elftal en zijn trainer” te plaatsen. En reken maar dat Kohl straks niet aan Matthaus zal vragen of hij misschien de keeper van de Mannschaft was.

Voor dit stuk is gebruik gemaakt van gegevens uit het artikel Die politische Geschichte der Fussbal-Weltmeisterschaft van Norbert Seitz in het mei-nummer van het blad Das Parlament en uit het (kostelijke) boek Kohl und Maradona, Politik und Fussball im Doppelpass van dezelfde auteur (Eichborn Verlag, Frankfurt/Main 1990, ISBN 3-8218-1112-9).