Anton Smit: televisie moet toegankelijk blijven

Anton Smit (Markelo - Overijssel, 1945), programmadirecteur van het onafhankelijke televisieproduktiebedrijf ID-TV en als zodanig verantwoordelijk voor programma's als Pleidooi (AVRO), Taxi (NCRV), Lingo (VARA), De connaisseur (NOS), Sex met Angela (AVRO) en 12 steden, 13 ongelukken (VARA):

“Als programmadirecteur bemoei ik mij met de programma's, terwijl Harry de Winter zich als algemeen directeur bezighoudt met de verkoop, de contacten met de omroepen enzovoorts. Toen ik hier drie jaar geleden kwam, hebben we bovendien de afspraak gemaakt dat ik niet op de eerste rij hoef te zitten als er aan ons een Gouden Kalf moet worden uitgereikt. Daar zit Harry dan.

Harry had zich toegelegd op game shows, cultuur & info, evenementen en entertainment. Daar had hij verstand van. Mijn komst naar ID-TV had onder meer als bedoeling om dat scala te verbreden. De Nederlandse markt voor onafhankelijke producenten valt binnen afzienbare tijd in twee stukken uiteen. Aan de ene kant zullen de grotere buitenproducenten opereren, die een breed scala van programma's willen maken, en aan de andere kant zullen er gespecialiseerde producenten overblijven. Alles wat daar tussen in hangt, zal het niet redden. Wij moesten dus wat groter worden. Met een omzet van 50 miljoen zijn we van de kleintjes de grootste.

Het is ook een kwestie van spreiden van risico. De omroepen zouden best eens genoeg kunnen krijgen van al die spelletjes. In navolging van RTL wilde iedereen opeens een daily game show. Het is de vraag hoe lang dat nog duurt. In Amerika zijn er nauwelijks meer game shows op dit moment. Het is ook de vraag hoe lang de hausse in het docudrama als 12 steden nog voortduurt. Je moet als buitenproducent weten om te gaan met de fluctuaties van de commerciële markt. Ik heb vijf jaar als 'hoofd fictie' bij de VARA gezeten. Bij ID-TV moest ik wel wennen aan het feit dat je volstrekt afhankelijk bent van de omroepen.

In Nederland wordt ongeveer de helft van de programma's gemaakt door buitenproducenten. Even heeft men hier nog gedacht dat de omroepen op den duur - net als in Amerika - alleen nog maar actualiteiten zouden verzorgen. Maar met die vijftig procent is hier voorlopig de top wel bereikt. De omroepen gaan zich te afhankelijk voelen van de moloch Endemol. Ze willen meer in eigen huis gaan produceren. Dat is heel duidelijk te voelen. Ik denk dat het marktaandeel van de buitenproducenten zal teruglopen tot veertig procent.

Het probleem van de publieke omroep blijft natuurlijk dat ze door de politiek gedwongen zijn nogal commercieel te opereren. Geen land in Europa heeft zulke lage kijkgelden als Nederland. De omroepen zijn verschrikkelijk afhankelijk van die 500 miljoen uit de STER-pot. Dat is veertig procent van wat ze jaarlijks te verdelen hebben. Als alle omroepen een beetje VPRO zouden zijn, dan hielden ze binnen de kortste keren nog maar zestig procent van hun budget over. Onder dergelijke omstandigheden ben je niet meer onafhankelijk. En dan is het niet onlogisch dat je als omroep kiest voor de zekerheid van een comedy format dat zich in het buitenland reeds heeft bewezen. Dat heb ik te accepteren. Al zie je dat er nu weer meer belangstelling ontstaat voor oorspronkelijk Nederlands comedy-materiaal. We hebben daarvoor een stuk of twaalf ideeën liggen.

Onze drama-afdeling hebben wij nu op poten. Binnen twee jaar moet daar een speelfilmtak bijkomen. We hebben vijf speelfilmprojecten liggen. Maar de eerstvolgende stap is het theater. Dat is mijn oude liefde. Ik heb vijftien jaar in het gesubsidieerde toneel gewerkt. We doen nu onder meer de theatershow van Karin Bloemen. Maar het ligt bijvoorbeeld ook in de bedoeling om een bepaalde vorm van toneel terug op de bühne te krijgen. Ik noem dat altijd het Heijermans-achtige realisme: toegankelijk realistisch toneel over eigentijdse maatschappelijke issues. Dat wordt bijna niet gemaakt. Ik geloof dat dat soort toneel ook commercieel te maken moet zijn, of het nu over aids, discriminatie of het milieu gaat. We willen jaarlijks een stuk of drie van dat soort stukken op de markt brengen. Daarmee heb je natuurlijk meteen een uitstekend uitgangspunt voor een single play voor televisie.

We proberen dingen te maken die op de een of andere manier bijdragen aan het intellect van mensen: het verschil tussen Lingo en Prijzenslag. Het moet een beetje ergens over gaan, liefst enigszins tegendraads zijn. Maar het moet toegankelijk blijven. Je werkt als televisiemaker voor een massamedium. Men blaat altijd over kunst op televisie: er zou meer cultuur op de televisie moeten komen. Diezelfde mensen zijn dan niet bereid om dat enigszins geschikt te maken voor een groter publiek. Drie, vierhonderduizend moet dan je uitgangspunt zijn. Sommige dingen van de VPRO vind ik absolute onzin. Ik vind vijftigduizend mensen echt niemand.

We hebben vorig jaar twintig afleveringen gemaakt van Het oude Noorden, gebaseerd op het Britse Eastenders. Dat werkte niet. Dat doet nog pijn. Blijkbaar had men op zaterdagavond geen behoefte aan dat soort realisme over ellende en criminaliteit in een Rotterdamse volkswijk. Met Pleidooi hebben we ons als dramaproducent op de Nederlandse en internationale markt gezet. We hebben aangetoond dat je voor niet al te veel geld drama kunt maken van een bijna-Engelse kwaliteit. Dat je daarvoor dan een Nipkowschijf krijgt, is natuurlijk ontzettend leuk.

Maar je kunt niet stellen dat Pleidooi de norm voor de Nederlandse omroep zou moeten zijn. Je hebt verschillende soorten kwaliteit. En die is direct gerelateerd aan het geld en aan het beoogde publieksbereik. Pleidooi is toch een serie die het bij een heel breed publiek niet doet. We hebben ons afgevraagd of Pleidooi slechter zou worden als we er, à la L.A. Law, meer relatie-gedoe in zouden stoppen. Dan zou het waarschijnlijk beter scoren, maar je zou een ander soort serie maken. Voor de publieke omroep zou het, om commerciële redenen, zeer onverstandig zijn om alleen maar Pleidooien te maken.

In de televisie-business worden kwaliteitscriteria nog altijd steeds meer verdrongen door economische normen en machtsconcentraties. En het is soms wel wat beangstigend om het verschil te zien tussen wat de mensen massaal leuk vinden en dat wat je zelf graag maakt. Maar ik ben van nature optimist. Zolang er televisie bestaat, zul je dingen kunnen maken die mooi zijn en waarmee iets te vertellen is. Bovendien pleeg ik altijd ergens maar vijf jaar te zitten. Ik heb hier dus nog twee jaar te gaan. Ik wil ooit nog eens bekijken of ik kan schrijven.''