Het nieuws van 11 juni 1994

Schaakleed

De armen pathetisch zwaaiend boven zijn hoofd, het gezicht vertrokken in een gekwelde grimas, schijnbaar vastbesloten om zich voor het aanstormende verkeer te werpen, zo beende Ivan Sokolov het hotel uit, toen hij in de tweede ronde van het kampioenschap van Nederland van Jeroen Bosch had verloren. Er was een Joegoslavische kennis van hem aanwezig. “Moet je niet achter je vriend aan?“ vroegen we. “Dat is heel gevaarlijk op zo'n moment“, zei de Joegoslaaf. Een bestuurslid van de KNSB waagde het toch, en met zijn allen keken we van achter de ramen van de perskamer hoe dit dappere bestuurslid druk gebarend de Bosnische grootmeester er van probeerde te weerhouden om zich op de rails te leggen. Een uur later was Sokolov tot bedaren gekomen en in staat om nuchter de schade op te meten. “Daar gaan mijn Elo-punten en mijn uitnodigingen“, zei hij somber. Ik zag een lichtpuntje. “Gelukkig dat dit toernooi voor de eerstkomende lijst nog niet meegerekend wordt, pas in januari volgend jaar wordt het in de wereldranglijst verwerkt. Je hebt een half jaar om het weer goed te maken.“ Maar dat zag ik verkeerd. “Gelukkig? Het zou veel beter zijn als het meteen werd meegerekend, nu blijft het als een zwaard van Damocles een half jaar boven mijn hoofd hangen en pas op 1 januari 1995 valt de klap die ik al die tijd aan zal zien komen“, steunde Sokolov. “Maar tegenwoordig publiceren ze iedere maand een tussenstand, de klap wordt niet echt uitgesteld tot volgend jaar, je weet meteen waar je aan toe bent.“ Sokolov had er geen oren naar: “Dat is nog veel erger. Die tussenstanden hebben geen officiële status, ze zijn er alleen maar om te zorgen dat iedereen in die tussentijd al kan zien hoe stom je bent.“