Zingen

Het artikel 'Het Strottehoofdmysterie' van Paul Luttikhuis (CS 27 mei) brengt veel wetenswaardigs over de ontwikkeling van de opera en over de zangstem te berde. Toch zijn enige correcties op zijn plaats, zowel historisch als fysiologisch.

1. In de zestiende eeuw bestaat de opera nog niet, die kunstvorm komt pas aan het begin van de zeventiende eeuw naar voren. Pas dan worden zangers (castraten) uit kerkkoren gerecruteerd, hoewel er in München reeds voor 1600 zes castraten in het koor van het hertogelijk hof zongen.

2. Met ademoefeningen wordt de zangtoon niet versterkt. Toonversterking is een akoestisch gegeven! Ademoefeningen komen in de zangmethodiek pas in de negentiende eeuw in beeld.

3. Dat wat de Duitse zangcollega's 'Knödel' noemen, is niet door de neus zingen (dat is 'Näseln'), maar bestaat uit druk zetten op het tongbeen en verkleinen van de ruimte bij de achterkeelwand.

4. Falsetteren is geen 'truc' om de stem kunstmatig een octaaf hoger te laten klinken, maar een mogelijkheid van registreren die in iedere stem aanwezig is en die gecultiveerd kan worden.

Tenslotte geloof ik dat men Joan Sutherlands besluit om het zware vak aan jongeren over te laten niet denigrerend mag beschrijven als een wens om nog slechts te borduren en te tuinieren.

Naschrift Paul Luttikhuis: De 'fafola pastorale' Dafne van Jacopo Peri wordt veelal beschouwd als de eerste opera, die in 1598 in première ging.