VNO wil kraamkamer voor Euro-bedrijven

Hebben Nederlandse bedrijven problemen met het aantrekken van risicodragend vermogen? Ja, zei de staat en richtte een Industriefonds op. Nee, zeiden de banken en participatiemaatschappijen, dat kunnen wij makkelijk alleen af. Nee, zeiden ook veel bedrijven die inmiddels op grote schaal nieuw vermogen op de effectenbeurs hebben aangetrokken. Het VNO heeft nu in het welles-nietes-spel een nieuwe variant bedacht. Bedrijven die de startersfase te boven zijn, maar nog niet op de Amsterdamse beurs staan, moeten op een Europese 'parallelmarkt' een passend onderdak krijgen. Het VNO hoopt hiermee meer succes te hebben dan met de participatiebeurs, die na één transactie ter ziele ging.

Vroeger fungeerde voor prematuren de Nederlandse parallelmarkt als kraamkamer. Participatiemaatschappijen en familie konden dan afscheid nemen en hun aandelen overdragen aan beleggers of groei financieren. Soms lukte die strategie. Een uitzendbureau als Content maakte een succesvolle overstapnaar de officiële markt.

Maar vaak lukte die strategie ook niet. Series bedrijven bleken te vroeg de stap gewaagd te hebben naar de parallelmarkt en sleurden in hun val beleggers mee. Textlite, Infotheek, Newtron en Ravast, het is maar een greep van bedrijven die met hoop kabaal van de parallelmarkt af rolden. Met name automatisering en vastgoed bleken op de parallelmarkt synoniem te worden met gekonkel en beschuldigingen van belangenverstrengeling.

De parallelmarkt is daardoor in diskrediet geraakt. Daar konden de weinige, oudere en serieuze bedrijven op de parallelmarkt, zoals Grontmij en Peek & Cloppenburg, weinig aan veranderen. Vorig jaar besloot de beurs de markt op te heffen en te integreren met de “grote” aandelenamrkt.

Prof. dr. P.H. Verhaegen, directeur Economische Zaken van het VNO, merkt echter dat talrijke bedrijven een dergelijke beurs, maar dan wel een betere, toch nodig hebben. “Wij zien nog al wat bedrijven die te groot zijn voor het servet en te klein voor het tafellaken.” Hij constateert dat bedrijven in de beginfase gemakkelijk hun groei kunnen financieren door participatiemaatschappijen, maar de groei daarna moeilijk is. Op dat moment willen de participatiemaatschappijen graag afscheid nemen, terwijl de algemene banken dan vanwege de risico's nog niet te staan te springen, zo heeft Verhaegen ontdekt. “Oud-ABN-Amro-bestuursvoorzitter Hazelhoff heeft mij gezegd: wij zijn een C & A. Van ons kun je geen maatkleding verwachten,” aldus Verhaegen. Hij ziet de banken terugdeinzen voor de iets hogere kredietrisico's. Het financieren van deze met de afschuwelijk term 'doorstarters' aangeduide bedrijven vergt een gespecialiseerde aanpak, met veel grotere beleggers, die in staat zijn risico's te nemen en tegelijk te spreiden.

Het VNO heeft geleerd van het debâcle van de parallelmarkt, die meer en meer ontaard is in een alternatief voor de staatsloterij voor particulieren en zeker geen interessante markt is voor grote beleggers die meer risico's aankunnen.

Het VNO heeft gekeken naar de Amerikaanse markt Nasdaq, die 'parallel' loopt aan Wall Street, maar waarvoor de eisen aanzienlijk minder groot zijn. Voor grote Amerikaanse financiële instellingen is het rendabel om een aantal analisten vrij te maken voor stockpicking op deze grote markt van rijpe en groene fondsen. De markt is daardoor niet afhankelijk van de sentimenten van particulieren, maar heeft een gezonde financiële basis van instellingen die met risico's kunnen omgaan. Zo'n markt zou er volgens het VNO ook in Europa moeten komen en Verhaegen zegt met de beurzen besprekingen hierover te openen.

Het grote voordeel van een nieuwe Europese 'parallelmarkt' is dat ook de andere vormen van kapitaalverschaffing - conventioneel via banken voor de grote bedrijven of via professionele participatiemaatschappijen - gemakkelijker zullen worden. De participatiemaatschappijen kijken altijd zeer nadrukkelijk na de mogelijkheden op uit te stappen. Het woord 'exit' ligt op hun lippen beschoren. Een verstopte 'parallelmarkt' is ook voor hen een baricade.