Spannende fabels van Ivan Krylov; Prijs ook het nekje en het bekje

Ivan Krylov: Hondevriendschap en andere fabels. Vert. Marja Wiebes en Margriet Berg. Uitg. Plantage, 64 blz. Prijs ƒ 19,50.

Wie heeft niet als kind medelijden gevoeld met het onschuldige lam dat door de wolf wordt verslonden of leedvermaak om de ijdele raaf die zich zo smadelijk laat beetnemen door de vos? In Rusland is het fabelrijk waarin zij voorkomen geschapen door Ivan Krylov. Hij leefde anderhalve eeuw na zijn grote voorbeeld La Fontaine, van 1769 tot 1844. Naast eigen fabels maakte hij ook bewerkingen van die van de Fransman.

Voor de Russen was hij 'grootvadertje Krylov', zijn fabels waren het 'boek der volkswijsheid'. Buiten Rusland kreeg hij maar heel geleidelijk bekendheid. Ten onrechte, want hij was een van de eerste Russen die literatuur schreef van een niveau dat vergelijkbaar was met het Europese.

Op het eerste gezicht lijkt Krylov, van wie zo'n zestig fabels onlangs vertaald werden, een hedendaagse versie van La Fontaine te geven. Het meest ouderwetse dat er in Hondevriendschap en andere fabels gezegd wordt, is 'ach hemeltje' en ''t zou me wat', meestal is het gewoon 'maak het nou' of 'dit is te gek'. Maar die moderne indruk danken we aan de vertalers. In weerwil van wat vaak beweerd wordt, gebruikte Krylov een tamelijk ouderwets Russisch, waarin, schrijft Karel van het Reve in zijn literatuurgeschiedenis, boeren 'te drommel' en 'wat hamer' zeggen. Wel waren zijn fabels geschreven in een taal die door iedereen te begrijpen was, niet alleen door de adel maar ook door de ongeletterde boer (als iemand zo vriendelijk was om ze hem voor te lezen).

Sommige fabels slaan direct op actuele politieke en maatschappelijke gebeurtenissen, ook al is hun werkelijke strekking veel breder. De Russische moraal beantwoordt, net als de Franse, aan de overtuigingen van de doorsnee mens: hoogmoed komt voor de val en ijdelheid is des duivels oorkussen.

Verteller

Het eigene van Krylov is dat hij meer dan La Fontaine een verteller is. Neem bijvoorbeeld De raaf en de vos. Bij La Fontaine val je direct in de scène waar het om gaat: de hongerige vos legt het aan met de raaf, die in het bezit is van een stuk kaas. Krylov daarentegen vertelt uitgebreid wat eraan vooraf gaat: de raaf vindt een stukje kaas, fladdert er mee naar een tak en wil daar net op z'n gemak gaan genieten als er een vos langskomt. De schurk sluipt naar de boom, zijn staart gebogen,/ De raaf gevangen houdend met zijn ogen./ Hij lispelt zacht op zoete toon:/ “Ach hemeltje, wat ben je schoon!...” en prijst achtereenvolgens de oogjes, het nekje, het bekje, het snaveltje en de veren van zijn slachtoffer. Dan pas diens stem, met de trieste afloop die we allemaal kennen. De Franse vos begint meteen over de stem.

Krylov is ook spannender dan La Fontaine, dat kan zelfs een Fransman niet ontkennen. De moraal treedt hierdoor soms wat naar de achtergrond. Een groot gemis is dat niet, want de mo- ralen van Krylov zijn saai: Hoe vaak ze in de wereld ook verkonden/ Dat vleien slecht is en gemeen, het dringt niet door:/ De vleier vindt altijd een gewillig oor. Nee, dan La Fontaine. Zijn vos zegt vriendelijk tegen de raaf (in de vertaling van Jan Prins): “Beste, leer van mij,/ dat wie gul is met gevlei,/ op kosten leeft van wie geloof hem schenken./ Die les is wel een kaas waard, zou ik denken.”