Sammy Michael over Iraakse joden en zijn bestseller Victoria; Israel heeft de eenzaamheid gebracht

Niemand in Israel had belangstelling voor de joodse gemeenschap in Bagdad tot Sammy Michael 'Victoria' publiceerde. Dertig weken stond dit epos over de verdwenen joodse wereld bovenaan de Israelische bestsellerlijst, onlangs verscheen de Nederlandse vertaling. “Met het voorgoed verdwijnen van die wereld is er iets essentieels verloren gegaan: het directe contact tussen mensen”, vertelt Michael.

Sammy Michael: Victoria. Een joodse vrouw in Bagdad. Vert. Ruben Verhasselt. Uitg. Arena, 414 blz. Prijs ƒ 49,90.

Als een trotse grande dame, in het geheel niet gehinderd door haar analfabetisme, beweegt de moeder van de schrijver zich tegenwoordig door Israel. Tienduizenden lezers kennen inmiddels de bizarre lotgevallen van haar leven tot in de intiemste details, want zoon Sammy deinsde in de roman Victoria voor niets terug.

Victoria van Sammy Michael was het afgelopen jaar de literaire bestseller van Israel en stond 30 weken lang op de eerste plaats van de lijst van bestverkochte boeken. Sammy's moeder heeft zich door een familielid de 414 pagina's van het boek in grote trekken laten vertellen en gezegd dat het goed was. Vorig jaar vierde zij haar negentigste verjaardag in het bijzijn van 50 kleinkinderen en 90 achterkleinkinderen. Die negentig is min of meer een gok omdat de geboorteregisters van Bagdad in het begin van deze eeuw allerminst compleet waren.

Sammy Michael (68), een jood geboren in Irak, rijzig en slank met het voorkomen van een Bedoeïenenhoofdman, bezocht Amsterdam ter gelegenheid van het verschijnen van de eerste vertaling van het boek, vanuit het Hebreeuws in het Nederlands. Vertalingen in het Engels, Duits, Grieks en Arabisch zijn in voorbereiding.

Michael schreef met Victoria een epos over een verdwenen joodse wereld, waar ook niemand in Israel tot nu toe enige belangstelling voor had getoond: de joodse gemeenschap in Bagdad aan het begin van deze eeuw. Het is een boek geworden over de liefdesgeschiedenis tussen Victoria en haar man Refael, opgetekend in de beste tradities van de sprookjes uit duizend-en-één-nacht.

Door die liefdesgeschiedenis heen weeft Michael een schitterend panorama van de lotgevallen van deze grotendeels gearabiseerde joden, vanaf het begin van deze eeuw in Bagdad via de emigratie in 1948 naar Israel tot en met hun positie in de huidige joodse staat. Zo schrijft hij naast de liefdesroman tegelijk een boek over hartverscheurende vrouwenonderdrukking - hij vertelt het verhaal vanuit het perspectief van zijn moeder - en schetst hij een portret van van leven en strijd van een geïsoleerde, bijna godloze gemeenschap in een islamitische omgeving.

Het hof van de kalief uit de verhalen van Duizend-en-een-nacht is bij Michael het overbevolkte hofje geworden van armzalige joden in een achterafsteeg in Bagdad. Het opeengepakt wonen jaagt, als een blaasbalg, de onderlinge emoties tot grote hoogten op. Net als aan het grote hof heeft dat ook hier een inferno aan roddelzucht, intrige, overspel en achterklap tot gevolg. De nabijheid van iedereen was van een letterlijkheid, die wij ons niet meer voor kunnen stellen. Michael schrijft: 'In de benauwende woonomstandigheden bestond nauwelijks enige scheiding tussen de ruimte voor de kinderen en die voor de volwassenen. Ongeveer zes maanden per jaar lagen de matrassen op de daken, pal naast elkaar. Bij het vallen van de nacht, in het licht van de maan en de sterren, kropen de mannen en vrouwen in bed. Victoria en Mirjam hoorden alles en zagen veel. Weigerachtige vrouwen werden nacht na nacht met gevloek verkracht. Andere vrouwen gaven zich als mak vee gewonnen. Magere meisjes piepten het uit van de pijn en stevige tantes sloegen minachtend de stormaanval van hun kleine mannen af. Er waren tijgerinnen die loerden op hun prooien en die venijn spuwden als hun bloembed onbezaaid bleef. Andere tijgerinnen hadden tijgers getroffen, met wie ze het hele dak, inclusief de tientallen hofbewoners, deden schudden.'

Uitvoerig schildert Michael alle mogelijke seksuele varianten die in het hofje voorkomen: incest, homoseksualiteit, overspel, bordeelbezoek enzovoorts. Michael beschrijft de erotiek, ondanks de vrouwenvernedering, als een puur, ongefilterd levenssap, dat weliswaar is omgeven door talloze taboes, maar niet bezoedeld door psychoanalytische bedenkingen van westerse makelij.

Gevraagd naar de prominente rol van het seksuele leven in het boek zegt hij: “Ik denk dat dat nog altijd typisch is voor de Derde Wereld. In de eerste plaats levert het bijeengepakt wonen van de mensen veel meer wrijvingen en contacten op dan in het Westen. Dan zijn er de verboden op praktisch alle seksuele contacten buiten het huwelijk. Dat wekt natuurlijk juist de seksuele lust op: als je iemand verbiedt om te eten dan zal hij dat des te gretiger doen. En dan is er nog een biologische reden: de levensverwachting in de Derde Wereld, zeker in de tijd waarin Victoria zich afspeelt, was dertig jaar. Als iedereen voor, laten we zeggen, 500 dollar aan seksuele lusten heeft, dan moet dat nu verdeeld worden over zeventig jaar, dus wordt het allemaal wat trager.”

Seks en vrouwen

Het bijzondere aan de relatie tussen Refael en Victoria is dat die er een was tussen de bovenbeschreven tijger en de tijgerin. Refael is de eerste in het hof die aanvoelt dat een vrouw ook eigen seksuele gevoelens heeft. Michael: “In die tijd geloofden mannen niet dat een vrouw dezelfde driften had als een man. Toen ik als jongeman een boek las over seks ging ik naar mijn grootvader en zei: 'Kijk, vrouwen hebben dezelfde driften als mannen'. Toen zei mijn grootvader: 'Nee, dat kan niet. Alle vrouwen zijn toch geen hoeren?' ”

Refael is niet alleen de gevoelvolle echtgenoot, maar tegelijkertijd een tomeloos hedonist met als voornaamste kompas zijn geslachtsorgaan. Hij beslaapt aanvallige jonge dames van het eigen hof, laat zonder opgaaf van reden voor maanden zijn gezin in de steek en is een frequent bezoeker van het tjatroe (theater), de bordelenwijk in Bagdad. Michael: “De enige goede raad die een joodse jongen meekreeg die naar de hoeren ging, was dat hij wel naar een joodse of een moslimhoer mocht, maar niet naar een christenhoer. Want misschien zou ze een kruis om haar hals dragen en op het moment dat hij klaarkwam zou het lijken alsof hij zich boog voor het kruis. In Israel bestaat dat gebruik nog steeds ook al praat niemand erover. Talmoedstudenten, de zogenaamde bewaarders van de pure moraal, gaan ook naar de hoeren, maar het verbod op christenvrouwen blijft.”

Toch drijft de liefde Refael, gehuld in een web van leugens en verzinsels, altijd weer terug naar Victoria en haar gezin. Liefde was voor zo'n gemeenschap iets gevaarlijks en problematisch'. Michael: “Liefde werd in die tijd als een geestelijke ziekte gezien. Een normaal mens zorgde voor zijn existentiële behoefte, iemand die verliefd is, vergeet dat soort dingen. Liefde maakt blind, dus een weldenkend mens zoekt een verstandige, ijverige echtgenoot. Alle verliefden in de Arabische literatuur van de Middeleeuwen worden afgebeeld als gekken, alsof er een geest in ze gevaren is.”

Het huwelijk houdt bijna zeventig jaar stand, tot de dood van Refael. Refael heeft periodes dat hij zijn vrouw slaat en Victoria's liefde wordt meer en meer vermengd met bitterheid en achterdocht.

Waarom blijft zo'n vrouw in hemelsnaam nog bij die man, vraag ik de zoon en de schrijver. Michael: “Dat vraag je omdat je met je eigen culturele achtergrond en waarden tegen een andere cultuur aankijkt. In die tijd was de echtgenoot, in plaats van een partner, een voedselleverancier, een sociale-hulpinstelling en een ziekenfonds. Een vrouw werkte niet, ze had geen enkel middel van bestaan. Daarom was ze een soort krijgsgevangene in handen van de man. Daar komt ook de volgende Bedoeïense mop uit voort: een Bedoeïense getrouwde vrouw gaat naar haar vader en zegt 'kijk, hij heeft me geslagen, hij heeft jouw dochter geslagen. Je bent niks waard als je er niets aan doet'. Hij geeft haar twee klinkende oorvijgen en zegt 'Ga terug naar je man en zeg hem dat ik zijn vrouw heb beledigd.'

Politiestaat

Het hof in de armelijke joodse steeg is de kosmos waar alle hoogte- en dieptepunten van het leven zich vrijwel in het openbaar afspelen. Het organisme van het hof lijkt sprekend op een menselijk lichaam. Een lichaam dat uitwerpselen afscheidt, maar ook een groot hart heeft, dat lijdt onder chronische ziekten als roddel, jaloezie en afgunst, maar nooit sterft. Een lichaam dat in tijden van doodsnood, bij dreiging van buitenaf, kerngezond en ijzersterk is. Tegelijkertijd is het in westerse ogen een politiestaat: 'In het hof hield iedereen altijd zijn ogen open. Elke beweging en iedere blik werden in de gaten gehouden. Het hof geloofde nauwelijks in onschuldige bedoelingen en sloot toeval volledig uit. Iedere gebeurtenis had een reden en elke handeling had een bedoeling.'

Michael: “Het hof omschrijven als politiestaat gaat wel erg ver. Dat verschijnsel bestaat tot op de dag van vandaag in een kibboets. Natuurlijk is nieuwsgierigheid een oorzaak, maar de belangrijkste is een existentiële. Waar zoveel mensen samenwonen in een dictatuur als die van het Ottomaanse rijk, kan elke soldaat politieagent of vreemdeling een bron van gevaar zijn. Afwijkend gedrag van één iemand in de groep kan de hele groep in gevaar brengen. Om die groep niet in gevaar te brengen, controleert iedereen iedereen. Het gaat om de verdediging van de groep. Daarom is de term politiestaat hier niet zo geschikt. Op alles moet gelet worden. Ieder geluid kan gevaar betekenen: soldaten die plunderen of andere dreigingen. Dus werden de kinderen opgevoed om bang te zijn. Als een kind namelijk niet bang was, dan bracht het zijn eigen leven en dat van de groep in gevaar. En als tijdens de huwelijksarrangementen de deugden van de aanstaande echtgenoot werden opgesomd werd als belangrijkste eigenschap zijn bangheid genoemd. Een bangerik was de garantie voor een lang leven als kostwinner voor het gezin en beschermer van de groep.”

Opvallend is dat de joodse religie in het hof nauwelijks een rol speelt en gereduceerd is tot een stel rituelen voor de sabbath, bruiloften en begrafenissen. De enige man die de religie in het hof serieus neemt, wordt afgeschilderd als een uitgemergelde zieke en een vrome kwezel. Zijn vrouw zegt tegen hem over de rabbijn: “God beware ons voor al die heiligen. Zeg maar tegen die rabbijn van je dat hij zich met zijn gebeden bezig moet houden en ons met rust moet laten.” Michael: “De Turken hebben bij de stichting van het Ottomaanse rijk behalve de arabische cultuur ook de hele joodse en christelijke cultuur weggevaagd. Ze palmden de godsdienstige leiders in als collaborateurs van het regime. Zo ontstond er bij het volk een hele folklore van moppen die de minachting voor hun geestelijke leiders uitdrukte. En op die manier verkommerde de religie.”

Nostalgie

Wanneer in de loop van deze eeuw de welvaart ook in Bagdad toeneemt, verhuist de familie van Victoria van het hof naar een ruimer huis. Op dat moment komt Michael tot de kern van zijn boek: 'Het nieuwe huis was een naamloze deur in een lange rij deuren en liet niets heel van het gevoel van vastigheid waar de tijd geen vat op had. In dit nieuwe tijdperk geloofden velen dat niets te kostbaar was om achter te laten of onvervangbaar was.' Als een genadeloos chroniqueur beschrijft hij minutieus de onvrijheid, de dwang en de onderdrukking van het leven in het hof. Tegelijkertijd treurt hij om het verlies van die verdwenen wereld. Die ambivalentie maakt Michael tot de spil van het boek.

Dit niet kiezen voor moderniteit of nostalgie is de beste keus die de schrijver kon maken. Michael: “Toen ik las wat ik geschreven had, zag ik mijn eigen ambivalente houding ten opzichte van het verleden. Toen wij in 1948 in Israel aankwamen, op de vlucht voor het arabische nationalisme in Irak, wilde de zionistische propaganda alles wegvagen wat er voor het zionisme was geweest. Ze minachtten en verachtten alles wat 'in ballingschap' was geweest. Dus kwamen er jongens en meisjes van mijn generatie naar Israel - ik was toen 21 - die zich schaamden voor de taal en de afkomst van hun ouders. Die wilden zich zo snel mogelijk het stoere image van de zionisten aanmeten. Dat geldt niet alleen voor de joden uit de arabische landen, maar ook voor de joden uit Oost-Europa. Als reactie daarop heeft zich juist weer een romantische nostalgie ontwikkeld, die het verleden bewierookt en een familie als de mijne voorstelt als een grote, gezellige sefardische grootfamilie, die toen nog in een paradijselijke onschuld leefde. Een politieke partij als de sefardische Shass is helemaal rondom deze nostalgie opgebouwd. Enerzijds ben ik anti-Shass, anti-nostalgisch, anderzijds ben ik ook tegen dat soort van zionisme.

“Met het voorgoed verdwijnen van die wereld van het hof is er iets essentieels verloren gegaan: het directe contact tussen mensen. Als Victoria bijvoorbeeld in een wanhoopsbui naar de brug over de Tigris gaat om zich van kant te maken, dan wordt zij van haar daad weerhouden door het directe en soms agressieve contact met de mensen op de brug. Het hofje beperkte inderdaad de vrijheid van het individu, maar tegelijkertijd liet het het individu niet vallen: eenzaamheid bestond niet, het liet het individu dus ook niet teveel huilen. Er was een soms heel vervelend, heel agressief, maar altijd warm contact tussen de mensen. Dus aan het einde van de roman, als Refael in het ziekenhuis ligt, is er eten en professionele verzorging in overvloed, maar Victoria en Refael gaan daarmee op hetzelfde ogenblik de wereld van de eenzaamheid binnen. Daarom heeft het Israel van de twintigste eeuw met al zijn voorspoed tegelijkertijd de eenzaamheid gebracht.”

Op de laatste bladzijde van het boek moet Victoria de stervende Refael alleen achterlaten in een kil, wit ziekenhuis. De laatste zin luidt: “Op de begane grond strekte zich nog een spiegelende, heel lange gang voor haar uit.”

Zionisme

Michaels toon bij de beschrijving van de Israelische opvangkampen voor de joodse immigranten uit Irak in 1948 en 1949 is bitter. Over zijn vader Refael schrijft hij: “Het land beschouwde hem als een vertegenwoordiger van een achterhaald leven in ballingschappen kleineerde hem door een hak in zijn oude handen te duwen en hem de brandende zon in te sturen om een distelveld te ontginnen.” Voor de opkomst van het arabische nationalisme, ruwweg gezegd voor de Tweede Wereldoorlog, verschilde de houding van de Irakese joden ten opzichte van Palestina hemelsbreed van die van veel joden in Europa. Van zionisme was geen enkele sprake. Michael beschrijft een volstrekt mislukt bezoek in die periode van een joodse afgezant uit Palestina, die de joden van Bagdad Hebreeuws wil leren om ze voor te bereiden op de emigratie. Een hofbewoner bijt de afgezant toe: “Ik heb gisteravond gezien hoe je van de vis hebt zitten smullen. Je hebt een hele schaal dadels naar binnen gewerkt. Wat hebben we je misdaan dat je ons naar een land van armoede wilt lokken?”

Michael: “In de eerste plaats is het belangrijk om te weten dat er in de islam geen ideologisch antisemitisme bestaat. Daarvoor is de afstand tussen moslims en joden te groot. Omdat het christendom uit het jodendom is voortgekomen, heeft het christendom om de verschillen te benadrukken het antisemitisme ontwikkeld. De islam had dat helemaal niet nodig. Integendeel, er was respect en bewondering voor het jodendom als godsdienst. Als een moslim bijvoorbeeld een gelovige jood zag roken op de sabbath, dan zou die hem op zijn kop geven! Het zionisme beschreef Palestina altijd als een land van veiligheid. De realiteit bleek anders want toen we in 1948 aankwamen bleek de gevaarlijkste plek voor een jood op de wereld Israel te zijn. Normale mensen zoeken een normaal land. Daarom willen bijvoorbeeld de joden in Amerika nu niet naar Israel, zoals de joden in Bagdad dat voor de oorlog niet wilden. Alleen als hun bestaan wordt bedreigd, zijn ze bereid naar Israel te gaan.”

Komt de ambivalentie, die in het boek zo opvallend is, direct voort uit Sammy Michael zelf, zo vraag ik me af. Michael: “Ik ben een man die bestaat uit twee lagen. Geboren en getogen in Irak met een moedertaal uit dat land en een man die al 47 jaar in Israel woont. In zekere zin ben ik schizofreen, besta ik uit twee helften. Soms maken die helften ruzie met elkaar. Soms maken ze het weer goed. Als een oosterse man die het gewend is om met twee vrouwen getrouwd te zijn.”