Rudy Kousbroek als filosoof; Alfa en bèta en oost en west

Rudy Kousbroek ontvangt vrijdag 17 juni een eredoctoraat in de wijsbegeerte van de rijksuniversiteit Groningen. Gerard de Vries, hoogleraar wijsbegeerte aan de rijksuniversiteit Limburg, vraagt zich af in welk opzicht Kousbroek als filosoof kan worden beschouwd. “Kousbroek is op zijn best waar hij in herinneringen aan Indië gidsfossielen van gekrenkte Europese superioriteit aanwijst.”

Ter gelegenheid van het eredoctoraat herdrukt uitgeverij Meulenhoff de filosofische essays van Rudy Kousbroek die werden gebundeld in Einsteins Poppenhuis. Prijs ƒ 29,90.

Zijn wiskunde-studie staakte hij halverwege. Een universitaire opleiding Japans en Chinees werd nooit afgemaakt. Wanneer hij later door Japan reist, raakt hij dan ook soms de weg kwijt - als hij richtingsaanwijzers wil vertalen, blijkt hij zijn tijd nogal eens te verdoen met het ontcijferen van het Japanse equivalent van 'Joe's café'. Een observator, meer dan een doener; iemand die over wiskunde schrijft, maar zelf geen som meer maakt; een verklaard liefhebber van pornografie. In zijn kast liggen nog twaalf romans op voltooiing te wachten.

'Een leven van gemiste kansen,' zo oordeelde Kousbroek ooit over zichzelf. Wij kunnen dan ook veilig aannemen dat hij verbaasd opkeek, toen hem het bericht bereikte dat de Rijksuniversiteit Groningen het plan had opgevat hem een eredoctoraat uit te reiken.

Groningen eert Kousbroek als de 'meest prominente vertegenwoordiger van de essayistische traditie in Nederland vanaf de jaren zeventig,' als een van de weinigen die tussen alfa- en bèta-cultuur durven te pendelen, en als een auteur voor wie rationalisme en maatschappelijke betrokkenheid geen tegenstellingen zijn. Het voorstel voor het eredoctoraat is afkomstig van de faculteit der wijsbegeerte. Lolle Nauta zal - twee weken na zijn eigen afscheid als hoogleraar sociale filosofie - als promotor optreden.

Doctor Rudy Kousbroek, filosoof. Een bouwer van een filosofisch stelsel is hij niet, scherpzinnige analytische onderscheidingen staan al evenmin op zijn naam en systematische commentaren op het werk van andere filosofen heeft hij slechts sporadisch geleverd. In welk opzicht kan Kousbroek dan als filosoof worden beschouwd?

Kousbroek is onmiskenbaar een grensganger. Hij laveert tussen wetenschap en kunst, emotie en verstand, en tussen de cultuur van het Westen en die van het Oosten, zonder van argumentatiestijl te veranderen. Zo iemand moet over een krachtig eigen intellectueel kompas beschikken, moeten ze in Groningen hebben gedacht. Er bestaat inderdaad nauwelijks een betere reden om iemand filosoof te noemen dan deze.

Het is verleidelijk Kousbroeks grensgangerschap te verbinden met een gebeurtenis waarover hij vele malen heeft geschreven: zijn aankomst in Nederland, in 1946, na de eerste zestien jaren van zijn leven in Oost-Indië te hebben doorgebracht. Kousbroek heet dan een repatriant te zijn, maar die uitdrukking is in zijn geval misplaatst. Als hij in Nederland arriveert komt Kousbroek niet in zijn vaderland aan en de identiteitskaart, de distributie-stamkaart, de drie scheerkwasten en de brief van koningin Wilhelmina die de autoriteiten hem overhandigen, blijken niet voldoende om een blijvende identiteit te verschaffen: na enkele jaren vertrekt hij al weer, om zich in Frankrijk te vestigen. Het grootste deel van zijn werkzame leven brengt hij in dat land door. De echtgenotes die hij kiest komen echter van angelsaksische bodem en schrijven doet hij voornamelijk in het Nederlands.

Waarop oriënteert zo iemand zich? Naar de bodem kijkt hij kennelijk niet en als hij een blik omhoog werpt, ziet hij een andere sterrenhemel dan die van zijn jeugd. Een discipline geeft al evenmin houvast. Kousbroek begint met de wetenschap, maar verlaat dat gebied al na enkele jaren om zich elders te vestigen, namelijk in de kunst: hij schrijft en publiceert in de jaren vijftig experimentele poëzie. Ook dat terrein verlaat hij echter na enige tijd, om publicist te worden. Wat vast ligt, is slechts de eigen beweging. De gebieden waar hij doorheen trekt - Indië, de wiskunde, het absurdisme - zullen in zijn werk echter blijven doorklinken als de Balkan in de fiedel van een zigeuner.

Nostalgie

Kousbroeks werk is vervuld van verlangen, maar niet naar wat geweest is. Wie geen thuis kent, kan ook moeilijk heimwee koesteren. De nostalgie die Kousbroek in het werk en leven van vele oud-Oostindië-gasten aantreft, wordt afgewezen als het 'expres je hersenen tot stroop laten worden.' Herinneringen, door kleur en geur opgewekt, mogen geur en kleur aan het heden geven, maar zij behoren het gebruik van verstandelijke vermogens niet in de weg te staan. Zoete gedachten aan de koloniale tijd blokkeren gemakkelijk het besef dat ons tropisch paradijs een gekkenhuis was, waaraan slechts een klein deel van de bevolking die onder koloniale omstandigheden leefde, verlangend terugdenkt. Balkan-bezoek vormt geen vrijbrief om later vals te kunnen spelen.

Zijn eredoctoraat krijgt Kousbroek onder meer omdat hij volgens de Groningse faculteit der wijsbegeerte heeft bijgedragen aan het ongedaan maken van de kloof tussen de alfa- en de bèta-cultuur.

Dat is een merkwaardige overweging, want dit is precies wat Kousbroek niet doet. Zeker, hij schrijft soms voor een niet-technisch publiek en in Algemeen Beschaafd Nederlands over natuurwetenschappelijke onderwerpen. Hij weet dan duidelijk te maken dat een wiskundig bewijs schoonheidservaringen kan oproepen en dat men machines werkelijk kan liefhebben. Het overgrote deel van zijn beschouwingen heeft echter een andere pointe. Het is gericht tegen degenen die de resultaten van de bèta-cultuur naar de alfa-kant willen exporteren, om er kosmologieën van te bouwen, waarden in te funderen, kortom het leven alsnog zin te geven.

Deze - zoals de Amerikaanse historicus Loren Graham noemt - expansionistische traditie begint al in de achttiende eeuw bij La Mettrie en kent vooral in onze eeuw een lange reeks vertegenwoordigers. Bergson en Teilhard de Chardin zien in evolutietheorie en paleontologie mogelijkheden om ouderwetse katholieke denkbeelden een eigentijds jasje te geven; van Bohr tot Capra wordt de quantummechanica gebruikt om quasi-diepzinnigheden te debiteren. Het aantal auteurs dat na de Tweede Wereldoorlog door cybernetica, informatietheorie en artificial intelligence opgewonden raakt, is niet meer te tellen. Zestiger-jaren evangelisten van psychofarmaca interpreteren de verstoringen van het gewone waarnemen die het slikken van deze middelen veroorzaakt als 'bewustzijnsverruiming'.

Als geen ander in Nederland bestrijdt Kousbroek de bolle pretenties, de kletskoek, het onbenul van deze nieuwe magiërs. Het leidt tot vrolijke stukken over Marshall McLuhan, Timothy Leary, Andreas Burnier en al diegenen die tijdens the Age of Aquarius in de verworvenheden van natuurwetenschap en techniek een algemeen kosmisch bewustzijn zien schemeren. Hoewel soms gebracht als een jacht op Groot Wild, gaat het echter uiteindelijk om tamelijk gemakkelijke prooien.

Het 'overbruggen' van de alfa- en bètacultuur wordt door Kousbroek ook in andere gevallen een halt toegeroepen. De neiging van veel surrealisten en experimentele dichters om leentjebuur te spelen bij degenen die zich opwerpen als de hogepriesters van de bèta-wetenschap, wordt door Kousbroek expliciet betreurd. Wanneer rationaliteit op een irrationele manier met kunst verbonden wordt, doen we daarmee zowel de kunst als de wetenschap tekort.

Tegenover het expansionisme stelt Kousbroek zich consequent op als restrictionist. Om plezier te beleven aan de wetenschap, hoeven we haar resultaten niet eerst te exporteren. Het komt er slechts op aan meer te snappen van de wetenschap zelf.

Dezelfde restrictionistische houding kleurt ook Kousbroeks filosofische smaak. Wittgenstein wordt afgewezen omdat hij door een natuurwetenschappelijk wereldbeeld te schilderen ons de plaats van onuitsprekelijke diepzinnigheden zegt te kunnen tonen. Kousbroek prefereert de brave, oh zo brave Popper, die inderdaad van dit soort smetten vrij is. Heidegger, die de jonge Kousbroek ooit aan de ontbijttafel las, moet het veld ruimen omdat hij met de orakelfilosofen van de jaren zestig de veronderstelling deelt dat de moderne techniek iets kan 'onthullen'. In Heideggers geval gaat het dan uiteraard niet om de wonderschone werelden die door the doors of perception zichtbaar zouden worden. Integendeel, wat Heidegger onthult is een verlies, namelijk van de aloude vraag naar het Zijn. Nooit zullen dit soort auteurs echter de moeite nemen om de techniek zelf te bestuderen. In hun beschouwingen dient zij slechts als opstap naar een hoger doel. Daarmee behandelen de orakelfilosofen de techniek ondertussen precies op de instrumentele manier waartegen zij, van het Schwarzwald tot in Californië, zeggen zo'n bezwaar hebben.

Ook waar Kousbroek intervenieert in wetenschappelijke kwesties, volgt hij consequent de restrictionistische strategie. In zijn Huizinga-lezing van 1972 wordt de export van ethologische denkbeelden naar maatschappelijke opvattingen die in het werk van Konrad Lorenz en andere onderzoekers van diergedrag optreedt, gekritiseerd. De opvattingen van wetenschapsmensen buiten hun specialisme verdienen geen bijzondere glans omdat zij binnen hun vakgebied succesvol waren. Ethologen dienen dieren te bestuderen; maatschappij en politiek vallen niet binnen hun competentie. De oplossing van maatschappelijke problemen - ook de problemen die door de natuurwetenschappen en de techniek worden opgeworpen - ziet Kousbroek in het nog consequenter toepassen van natuurwetenschap en techniek.

Dat moet dan wel serieus gebeuren. “Bij een ingewikkelde maatschappij hoort een ingewikkelde theorie,” schrijft hij in 1968. De simplistische denkbeelden van ethologen zouden ons slechts terugbrengen naar de apenrots.

Wetenschappelijke waarheden mogen zoals Kousbroek uitlegt tot diepe gevoelens leiden, hij weet ook dat het omgekeerde beslist veel minder geldt. Ook wanneer mensen zich gekwetst of slachtoffer voelen, ontslaat ons dat niet van de verplichting de feiten nog eens te controleren.

Nederlands-Indië

De belangrijkste geschriften van Kousbroek zijn niet zijn stukken over pseudo-wetenschappelijk geklets, maar zijn beschouwingen over Nederlands Indië en de manier waarop men in Nederland nog steeds over de koloniale tijd en de Japanse bezetting spreekt. Als er één boek is waarvoor Kousbroek geëerd dient te worden, is dat Het Oostindisch kampsyndroom. Die bundel zou naast dat andere pak van Sjaalman verplichte lectuur dienen te zijn op iedere middelbare school.

Wie nu Het avondrood der magiërs herleest, ontmoet een wereld die toch al weer een poosje achter ons ligt. Hoewel dat ook voor de Indische kwestie zou moeten gelden, is helaas het tegendeel het geval. 'Indië verloren, rampspoed geboren,' blijkt wanneer we haar betrekken op de geestelijke gesteldheid van de Nederlandse publieke opinie, achteraf een uitspraak met een hoge voorspellende waarde. Zodra het koloniale verleden van Nederland ter sprake komt, lijkt een gekte waarbij die van Timothy Leary verbleekt nog steeds ons deel. Zelfs Jan Blokker, toch geen auteur met een hoog Bronbeek-gehalte en iemand die, naar de mening van Kousbroek, zelf ooit de aangrijpendste bladzijden over Indonesië schreef, wordt dan kinds. Die presteerde het in een column in de Volkskrant om de wegens belediging van Nederlandse soldaten die in onze koloniale oorlog vochten vervolgde Graa Boomsma, te presenteren als iemand die het martelaarschap zocht. Zo zou Boomsma, hoewel hij eigenlijk niet kan schrijven, toch als auteur kunnen scoren. Wie Het Oostindisch kampsyndroom gelezen heeft, verbaast zich er niet meer over dat na zo'n faux pas niet één ingezonden brief verschijnt. Zodra Indië ter sprake komt, lijkt iedere logica zoek.

Tegenover deze gekte presenteert Kousbroek in de eerste plaats de historische feiten. Hij vergelijkt de percentages slachtoffers die in Japanse en in Duitse kampen vielen. Hij rapporteert over het Rhemrev-onderzoek dat de gruwelijkheden van koelie-arbeid documenteerde en schrijft over Boven-Digoel. Hij wijst de leugens aan die Nederlandse regeringen en notabelen (inclusief de hoofdredactie van de NRC in de jaren vijftig) hebben uitgesproken om het vaderland en vooral ook zichzelf in een gunstig daglicht te plaatsen. Hij stelt de mystificaties aan de kaak die onder de uit Indië afkomstige Nederlanders rondgaan. Er lijkt geen letter over dit onderwerp geschreven te worden, of die wordt door Kousbroek van commentaar voorzien. Weinig blijkt tegen zijn simpele strategie van het naar voren brengen van feiten bestand; veel wordt tot gruis vermalen.

Kousbroek is op zijn best waar hij in de herinneringen aan Indië van anderen en in de geschriften die aan de Japanse bezetting zijn gewijd gidsfossielen van gekrenkte Europese superioriteit aanwijst. Daar wordt hij van historicus filosoof. 'Wij werden gewoon behandeld als koelies' legt iets bloot over de omstandigheden waaronder Nederlanders tijdens de Japanse bezetting kwamen te verkeren, maar is niet minder onthullend over de situatie voor die tijd, toen de gekrenkten nog zelf commandeerden. Of het nu om zoetige herinneringen of om een voorstel voor een monument voor de Nederlandse vrouwen in de Japanse concentratiekampen gaat, Kousbroek toont het racisme dat er in verborgen ligt haarscherp aan.

Intellectueel transport

Dat de geschriften over Indië en ons koloniale verleden uiteindelijk meer indruk maken dan Kousbroeks bestrijding van degenen die de natuurwetenschappen voor duistere karretjes proberen te spannen, ligt niet alleen aan het grotere politieke belang van het bestrijden van het koloniale gedachtengoed. Filosofisch neemt Kousbroek hier een interessantere positie in. Het restrictionisme dat hij in het ene geval verdedigt, is uiteindelijk de houding van degene die tevreden is over zijn positie en nu beslist geen vreemde vogels op zijn erf wil zien en dus al wat fladdert wegjaagt. Die houding kan in de koloniale kwestie niet meer worden ingenomen, simpelweg omdat er al teveel cultuurgoederen tussen Europa en zijn koloniën heen en weer zijn getransporteerd.

De koloniale noch de Indische cultuur laten zich eenvoudig wegjagen. Zij zijn een gegeven. We hebben er mee te maken, of we dat nu leuk vinden of niet. Hier is een veel subtieler spel, veel meer intellectuele beweging, noodzakelijk dan het beperkte repertoire van het restrictionisme. Het willen begrijpen van de culturen van Indië en ons koloniale verleden vereist immers de import van de methoden en waarden van zorgvuldig wetenschappelijk en historisch onderzoek, van een bepaald soort literatuur. Die waren niet in koloniaal Indië aanwezig en moeten er naar toe worden gebracht: een reis in ruimte en tijd. De resultaten moeten de omgekeerde weg afleggen. Ook daarna heerst er echter nog geen rust. Resultaten moeten immers geëvalueerd worden; begrijpen wil immers nog niet zeggen aanvaarden. Becommentariëren is eveneens een vorm van intellectueel transporteren.

Voor al deze bewegingen is rijker intellectueel repertoire noodzakelijk dan het restrictionisme biedt. Hier zijn grensgangers nodig. Filosofen, zoals Kousbroek.