Rechercheteam: alles draait om informatie

In bestuurlijk Den Haag komen steeds meer voorstanders van een landelijk politieteam voor de strijd tegen de zware, georganiseerde misdaad. Maar de korpschefs en hun beheerders verzetten zich. En de verzamelde hoofdofficieren van justitie aarzelen.

ROTTERDAM, 10 JUNI. Kennis is macht. Bij weinig overheidsdiensten komt dat scherper tot uiting dan bij de recherche. Informatie-uitwisseling over criminelen is er hét smeermiddel voor goede collegiale verhoudingen. Een rechercheur deelt informatie met collega's van andere korpsen als hij er later iets voor terug krijgt. Rechercheurs die deze informele handel beheersen hebben geen gebrek aan informatie. Maar rechercheurs die niet willen 'handelen' met informatie, bij voorbeeld omdat ze bij speciale eenheden werken, komen vaak droog te staan.

Deze kleine werkelijkheid uit de dagelijkse recherchepraktijk is in hoge mate bepalend voor het welslagen van een landelijke recherchedienst, waarvan de vorming deze week werd voorgesteld door de commissie-Donner. “Bij informatie zit inderdaad het moeilijkste punt”, zegt B. Staal, oud-korpschef van Almere, Eerste Kamerlid (D66), en pleitbezorger van zo'n landelijk team.

Het probleem is volgens Staal eigen aan de politiecultuur: “Dat begint al op het laagste niveau in een korps: als een agent uit de geüniformeerde dienst iets weet waarvoor de recherche belangstelling heeft. De agent verwacht dat de rechercheur die zijn zaak 'overneemt' hem informeert over de loop van het onderzoek. Die rechercheur kan dat evenwel niet altijd: hij moet oppassen voor 'lekken'.

Daar zit het probleem: hoe kan je zo omgaan met informatie dat het onderzoek er niet door stuk loopt en de rechercheur vanuit de eigen organisatie toch gevoed blijft worden met nieuwe informatie?'' Dat probleem neemt volgens Staal alleen maar toe zodra er een landelijk rechercheteam wordt gezet bovenop de bestaande interregionale rechercheteams, die al zijn belast met de strijd tegen de zware, georganiseerde misdaad. Deze rechercheteams - sinds de IRT-affaire aangeduid als 'kernteams' - hebben nu al een aanzienlijk informatieprobleem. Ze zijn afhankelijk van kennis die in korpsen wordt vergaard en aan hen via de Regionale Criminele Inlichtingendiensten (RCID's) wordt 'afgegeven'. Dat is al een heel karwei, zo bleek uit de IRT-affaire, precies wegens het hierboven geschetste probleem.

Er zijn op dit moment zes IRT's over het hele land, en als het voorstel van 'Donner' het haalt, komt boven in de piramide een landelijke variant te hangen. Staal: “Wil een landelijk team slagen dan zul je de uitwisseling van informatie heel goed moeten regelen. Dat betekent dat iedere week de chefs van de IRT's en het OM aan tafel moeten zitten met de baas van het landelijke team om de informatie af te stemmen. Anders loopt het fout.” Cultuurverschillen spelen bij de uitwisseling van informatie een belangrijke rol.

Het veel gesmade IRT Noord-Holland/Utrecht werkte volgens het 'need-to-know principe', waarbij informatie pas werd doorgegeven wanneer dat noodzakelijk was. Dat het IRT zoveel spanningen had met de Amsterdamse recherche kwam vooral omdat in Amsterdam wordt gewerkt volgens het 'nice-to-know principe'. Om de groepsgeest zo goed mogelijk te houden worden alle betrokken rechercheurs op de hoogte gesteld van de voortgang van een onderzoek. Dit verschil wreekte zich voortdurend.

Niettemin is er volgens Staal een noodzaak om een landelijke eenheid te vormen. “Er zijn nu zes gelijkwaardige IRT's. Het is onduidelijk wie er eindverantwoordelijk voor is. Met een landelijke eenheid zet je er een kop op, die de zes coördineert en eventueel operationeel bijstaat. Je kunt die zes IRT's dan ook vanuit het OM helder aansturen. Als zo'n landelijke eenheid niet wordt gevormd, voorspel ik dat enkele IRT's elkaar binnen nu en een paar jaar in de haren vliegen, omdat niemand op dit moment de baas is.” Staal noemt het beeld van 'een Nederlandse FBI' “onzinnig”. “Wij kennen geen onderscheid tussen federale en nationale wetten en zullen dus nooit een FBI hebben.”

Een van 's lands belangrijkste recherchechefs - die anoniem wil blijven; ook een gevolg van de IRT-affaire - wijst er eveneens op dat het functioneren van zo'n landelijk team staat of valt bij de informatie-uitwisseling. “De neiging informatie af te schermen verdwijnt alleen als zo'n team laat zien hoeveel waarde het heeft. Het grote voordeel van een landelijke eenheid is dat je de beste mensen bij elkaar kunt voegen. Je moet dat binnen de politie nooit hardop zeggen, maar niet iedereen kan nu eenmaal in het eerste spelen. Ik hoorde korpschef Jan Brand van Den Haag (voorzitter Raad van Hoofdcommissarissen, red.) deze week zeggen: zo'n team krijgt de krenten uit de pap. Maar hij vergist zich: de krenten drijven voorbij en niemand pikt ze op.”

De hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Politie, N. van Helten, voormalig korpschef in Leeuwarden en thans leidinggevende bij de BVD, is voor een landelijk team, maar vindt dat het uitsluitend “projectmatig” moet werken. “Ik vind dat we de zes kernteams een kans moeten geven. Maar als er informatie binnenkomt die onderzoek noodzakelijk maakt terwijl de kernteams het niet aan kunnen, moet je mensen uit de regiokorpsen kunnen inschakelen en ze voor een vaste periode inhuren om zo'n klus te klaren. Daar hoef je geen apart gebouw voor te huren, het is gewoon werk dat we als politie hebben te doen. Als er over een landelijk team wordt gesproken denkt iedereen aan een nieuw kantoor en mooie auto's en een versterking van de rechtspositie. Daar gaat het natuurlijk niet om.” En de politie moet leren informatie af te schermen. “We moeten af van de papegaaiencultuur. De politie heeft zich flexibel op te stellen en te anticiperen op de vragen die op ons afkomen.”

Niettemin verzetten de korpschefs, met de Haagse hoofdcommissaris J. Brand als hun spreekbuis, zich tegen een landelijke eenheid. Van Helten begrijpt het wel maar is het er niet mee eens. “De politiechefs hebben de laatste jaren de kar zelf moeten trekken omdat in veel gevallen zowel het OM als de korpsbeheerders onvoldoende sturing aan de politie hebben gegeven. Als Brand nu zegt dat hij even rust wil kan ik me dat voorstellen. Maar wanneer het OM zo'n landelijk team goed aanstuurt, dan hoeft hij zich veel minder zorgen te maken. En het duurt toch nog wel even voordat het team er daadwerkelijk is. De tijd zal de bondgenoot van het landelijke team blijken te zijn.”

Toch heeft Brand, zo leert een kleine rondgang, veel steun binnen de politie. Belangrijkste argument van de tegenstanders is dat de zes IRT's, waarvan de meeste nog maar korte tijd functioneren, eerst zichzelf moeten kunnen bewijzen voor er een nieuwe eenheid bijkomt. Ook wordt gewezen op het gevaar van 'een elite binnen de politie'. De Amsterdamse hoogleraar politierecht J. Naeyé heeft echter een ander argument: “Er wordt een schijndiscussie gevoerd. De IRT's zijn al bevoegd in het hele land, dus dat zijn in feite al landelijke teams. Ik zie niet in waarom je daar nog een landelijk team naast of boven moet zetten. Je krijgt twee kapiteins op een schip. En bovendien lijkt het voorstel van Donner erg veel op een herinvoering van de rijkspolitie, die we net hebben afgeschaft.” Naeyé vindt wel dat die discussie weer gevoerd kan worden als de samenwerking in de IRT's de komende jaren opnieuw mislukt. “Dan hebben de korpsen het er zelf naar gemaakt. Nu is het echt te vroeg.”

Dat vindt ook de voorzitter van het beraad van korpsbeheerders, de Nijmeegse burgemeester E. d'Hondt: “Een normaal mens gaat toch ook niet tijdens het koken boodschapen doen?” D'Hondt ziet ook andere nadelen. Wie moet het nieuwe team betalen, wie stuurt het aan en hoe moet de informatie worden gewisseld? “Het is een slecht idee”, zegt hij. “We zullen dit als korpsbeheerders binnenkort onder de aandacht van de Tweede Kamer brengen, we zullen benadrukken dat het zeer problematisch is om zo'n team te beheren, dat alleen maar tot vergruizing van de politie leidt. Ik neem aan dat we het animo in de Kamer stevig kunnen temperen.”

Bovendien hebben de korpsbeheerders een belangrijke bondgenoot, zegt D'Hondt: de hoofdofficieren van justitie. “Ook de heer Holthuis”, zegt de Nijmeegse burgemeester over de voorzitter van de verzamelde hoofdofficieren, “heeft mij recentelijk laten weten dat hij een landelijk team een slecht idee vindt. Samen met de politiechefs staan we dan toch vrij sterk, dacht ik.”

Holthuis zelf wil dat standpunt niet bevestigen. “Ik heb zeker niet namens alle hoofdofficieren gesproken en het was een informeel gesprek. Ik heb nog geen officieel standpunt.”