Pas op voor Paulus!

Met kabouters moet je oppassen. Dat kabouters 's nachts altijd ijverig klusjes opknappen, heb ik nooit willen geloven. Kabouters roepen midden in de nacht kinderen uit hun bed en dat kan heel gevaarlijk zijn.

Lang geleden, ik was nog een heel klein jongetje, tekende ik een grote kabouter met een rode puntmuts. Ik zette hem bovenop een rode paddestoel met witte stippen en kleurde hem daarna heel precies in. Na twee uur had hij een prachtig blauw vestje en een donkergroene broek. Ik plakte beide op een dik stuk karton en knipte dat uit. Daardoor kon je ze rechtopzetten, en bleven ze gewoon staan!

Ik zette de kabouter op het tafeltje voor me en noemde hem Paulus, want iedereen noemde mij ook altijd Paulus de boskabouter. Toen ik hem dat vertelde was het net alsof hij me een knipoog gaf. Ik vertelde hem nog veel meer. Over mijn buurjongetje, over de beren waar ik mee speelde, en over mijn stomme kleuterjuf. Paulus leek heel aandachtig te luisteren en zo nu en dan instemmend te knikken. Uren gingen voorbij. Ik merkte niet dat het buiten donker begon te worden, tot mijn moeder haar hoofd om de deur heen stak om me naar bed te sturen. Ze bekeek mijn kabouter en vond hem prachtig. Daarna pakte ze Paulus op en zette hem boven in de boekenkast. 'Dan kun je morgen verder met hem spelen.'

Teleurgesteld ging ik naar bed. Bij de deur draaide ik me nog een keer om. Hoog boven me stond Paulus. Hij stak zijn hand op en fluisterde: 'Tot morgen!'

Het was donker toen ik wakker werd van het roepen van mijn naam. Ik luisterde nog een keer en daar hoorde ik het weer! Ik wist dat het Paulus moest zijn. Hij riep me. Zonder licht te maken sloop ik door de gang en kroop ik de trap af. Het roepen van mijn naam werd sterker en sterker. Toen ik de deur van de kamer opendeed, zag ik in de schemering van een straatlantaarn Paulus in de kast staan. Hij leek blij me te zien.

Ik ging op mijn tenen staan om Paulus te pakken, maar stond veel te hoog. Ik keek of ik een stoel kon vinden waar ik op kon klauteren, maar ik zag in het donker te weinig. Ik liep terug naar de kast. Boven me keek Paulus steeds hulpelozer, zodat ik besloot hem te gaan halen. Ik zette mijn rechtervoet op de onderste plank van de kast en met mijn rechterhand probeerde ik me omhoog te trekken. Het lukte! Mijn linkervoet zweefde boven de vloer en na korte tijd vond ook mijn linkerbeen de plank. Ik voelde me een bergbeklimmer en Paulus kwam steeds dichter bij.

Toen begon plotseling de kast te wankelen. Voor ik het wist lag ik op de grond. Ik lag onder de voorover gekantelde kast en toen ik begreep wat er gebeurd was, voelde ik een stekende pijn in mijn voet. Mijn vader en moeder stormden naar beneden en vonden mij, huilend onder het eikehout.

In het ziekenhuis bleek mijn voet gebroken en ik kwam thuis met mijn been in een grote gipsen laars. Mijn moeder had Paulus naast mijn bed gezet. Toen ik mijn kamertje binnen werd gedragen, gleed er een spottende glimlach over zijn gezicht. 'Eigen schuld, dwaas jongetje,' leek hij te zeggen.

Op mijn rechtervoet zit nog altijd een litteken en telkens als ik mijn sokken uittrek, weet ik weer dat je met kabouters op moet passen!