'Paarse coalitie zou nu nog maar 16 miljard gulden willen bezuinigen'; Rinnooy Kan: opleving kan ombuiging verlammen

DEN HAAG, 10 JUNI. “Ai,” zegt de voorzitter van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) A. Rinnooy Kan. “Dat de economie aantrekt is goed nieuws, maar dat het nu komt is slecht nieuws. Het opent allerlei vluchtroutes voor politici om noodzakelijke ombuigingen uit te stellen. De geruchten die je nu hoort, suggereren dat de onderhandelaars over een 'paarse' coalitie de geboden kans met beide handen aangrijpen. Ze zouden nog maar zestien miljard gulden willen bezuinigen, terwijl dat eigenlijk meer dan twintig miljard moet zijn. Buitengewoon vervelend. Nauwelijks heeft het bedrijfsleven - de verdieners - door zeer zuinige CAO's de groei veilig gesteld of de politici beginnen de buit al te verdelen.”

Aanleiding voor het gesprek is de dinsdag verschenen banenstudie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Het VNO kan zich voor 99 procent in de gedane aanbevelingen vinden, maar is er niet helemaal gerust op dat dit ook geldt voor de politici die nu onderhandelen over een paarse coalitie. Het zint Rinnooy Kan bijvoorbeeld niet dat PvdA, VVD en D66 in Europa voorop willen lopen met een eco-tax. “Ik weet waaraan ze denken,” zegt de VNO-voorzitter. “De paarse onderhandelaars willen een kleinverbruikersheffing introduceren. Het milieu- en werkgelegenheidseffect zal miniem zijn, maar de uitstraling is desastreus. Doordat Nederland op dit gebied vooroploopt, zullen buitenlandse industriële bedrijven eerder afzien van vestiging. En dat terwijl we dat soort bedrijven juist zo nodig hebben. Het symbolische gebaar van de eco-tax kan de paarse coalitie nog lelijk opbreken.”

De afgelopen weken waren er meer geluiden van het formatiefront die de werkgevers met zorg vervulden. “Wat mij bijvoorbeeld frappeerde”, zegt Rinnooy Kan, “was het gerucht dat de door het beoogde paarse kabinet bepleite lastenverlichting zich volledig concentreert op de onderkant van de arbeidsmarkt. Tot het minimumloon zouden werkgevers worden vrijgesteld van sociale lasten. Dat is zeer riskant. Daarmee creëer je een armoedeval. Iedereen die met zijn inkomen even doorgroeit tot boven het minimumloon wordt ineens onevenredig veel duurder. De werkgever zal hem dus op dat lage loonniveau willen houden. Of de kans neemt toe dat zo'n werknemer uiteindelijk toch weer op straat komt te staan omdat hij de werkgever meer kost dan hij opbrengt.”

De VNO-voorman vervolgt: “Wij vinden dit een verkeerd instrument. Met ons valt wel te praten over een andere vorm van lastenverlichting. Uitstelling van het plan om de zogeheten overhevelingstoeslag per 1 januari 1996 volledig te laten verdwijnen. De overhevelingstoeslag is een vergoeding die werknemers van hun werkgever krijgen als compensatie voor het feit dat zij premies volksverzekeringen voor hun rekening zijn gaan nemen die eerst door de werkgever werden betaald. De wet die de afschaffing van de overhevelingstoeslag regelt is bijna gereed. Door die wet te schrappen en de overhevelingstoeslag nog één of twee kabinetsperioden overeind te houden ontstaat een lastenverlichting die voor iedereen, maar met name ook de laagste inkomens, voordelig is.”

Er zijn nog meer ruwe contouren van een paars regeerakkoord die Rinnooy Kan niet bevallen. Zo zal de door PvdA, VVD en D66 bepleite regionale uitvoeringsorganisatie voor de sociale verzekeringen bijvoorbeeld door de werkgevers worden geboycot. Rinnooy Kan: “Die regionale uitvoeringsorganisatie waar men het kennelijk over eens is spreekt ons absoluut niet aan. Wij zullen een uitnodiging om tot dergelijke met zware publiekrechtelijke bevoegdheden opgetuigde regionale besturen toe te treden beslist afwijzen. Wij hebben geen behoefte meer aan vermenging van verantwoordelijkheden. Als we de afgelopen jaren iets hebben geleerd, dan is het dat een combinatie van besturen en belangen behartigen een buitengewoon lastige is. Samenwerking tussen de regionale arbeidsvoorziening, de gemeentelijke sociale diensten en de uitvoeringsorganisaties van de sociale verzekeringen komt zo ook wel tot stand. Daar hoef je geen bestuursstructuur voor te creëren.”

“Volgens ons moet een licht opgetuigde sectorale uitvoering van werknemersverzekeringen blijven bestaan. Werkloosheid en arbeidsongeschiktheid ontstaan in bedrijven en sectoren. Bij het voorkomen daarvan en het reïntegreren van arbeidsongeschikten in het arbeidsproces zal die sector dus een rol moeten blijven spelen. Wel een kleinere rol dan de bedrijfsverenigingen nu spelen. We moeten die oude bureaucratie van die bedrijfsverenigingen niet gaan vervangen door een nieuwe bureaucratie van tripartiete regionale uitvoeringsinstituten.”

De VNO-voorzitter raakt op drift en begint een geheel eigen regeerakkoord te boetseren. De WAO-premies, die nu nog geheel door werknemers worden betaald, kunnen volgens hem 'met compensatie' worden overgenomen door de werkgevers. Bovendien zou die WAO-premie hoger moeten zijn navenant er door een bedrijf of bedrijfstak meer gebruik gemaakt wordt van deze werknemersverzekering. Alleen zo krijgt de werkgever er belang bij om minder mensen uit te stoten naar de WAO. De bestaande bedrijfsverenigingen moeten meer concurrentie van elkaar en van andere organisaties krijgen. En evenals de OESO heeft Rinnooy Kan oog voor de sociale noden van de gedupeerde Nederlander. Het sociaal minimum hoeft van hem niet per se omlaag. In plaats daarvan bepleit hij een straffer sanctiebeleid.

Pag.13: Ombuiging geen exclusieve taak Paarse coalitie

“In de politiek en bij de kiezers bespeur ik het gevoel dat een substantiële verlaging van alle uitkeringen ook degenen treft die geen alternatief hebben. Er is in Nederland een breed gedragen gevoel om deze mensen een behoorlijk inkomen te geven. Maar laat de poltiek dan als criterium voor echte hulpbehoevendheid de mate hanteren waarin mensen bereid zijn banen op minimumloonniveau te accepteren. Wanneer uitkeringsgerechtigden werk weigeren dat ze best zouden kunnen doen dient hun uitkering substantieel te worden gekort. Het verschil tussen het minimumloon en de aldus substantieel gekorte uitkering geeft de uitkeringsgerechtigde een financiële prikkel om toch werk te aanvaarden, terwijl het sociaal minimum kan worden ontzien.”

De verandering van Nederland hoeft niet helemaal van de paarse coalitie te komen. De werkgevers zijn ook zelf bereid een bijdrage te leveren. Geheel in lijn met de door de OESO bepleite maatregelen. “Wij moeten bijvoorbeeld serieuzer werk maken van twee zaken. We moeten als werkgevers het gat opvullen tussen het minimumloon en de laagste loonschalen in de CAO. Dat verschil bedraagt gemiddeld over de bedrijfstakken vijftien procent. En er zal aan afzonderlijke bedrijven vaker dispensatie moeten worden verleend voor bepaalde onderdelen van de CAO. Wat deze twee zaken betreft krijgen werkgevers terecht kritiek van de OESO. We willen ook een bijdrage leveren aan de dynamiek van de economie door thema's als de liberalisering van het vestigings- en mededingingsbeleid actiever op te pakken. En we zullen bij een volgende CAO-ronde serieus werk moeten maken van de prestatie-afhankelijke beloning.”

Dit laatste is een uitermate actueel onderwerp. Volgens de jongste vooruitzichten van de OESO groeit het wereldhandelsvolume in 1995 en 1996 met respectievelijk 6,5 en 7,2 procent. Dat betekent dat volgens de OESO het zogeheten “gunstige scenario” van het Centraal Planbureau actueel wordt. Dat betekent dat de economische groei niet 2 maar 2,75 procent per jaar gaat bedragen. En dat heeft twee voor de hand liggende gevolgen. Politici zullen zich minder genoodzaakt zien om scherp te bezuinigen en werknemers zullen weer looneisen gaan stellen. Rinnooy Kan onderkent het gevaar. “Ik hoop dat de politici zich weten te beheersen,” zegt hij. “Dat ze uit blijven gaan van een magere economische groei. Mocht die groei blijken mee te vallen dan kunnen de extra baten daarvan altijd nog worden teruggegeven aan burgers en bedrijven in de vorm van additionele lastenverlichting.”

Tot een loonexplosie zal de extra groei volgens Rinnooy Kan niet leiden. Maar de aantrekkende groei biedt kansen voor een al jaren door de werkgevers bepleite gedifferentieerde loonontwikkeling. “Wij zijn niet tegen loonstijgingen,” zegt de werkgeversvoorman, “als de economische situatie bij bedrijven het toelaat. In sectoren die disproportioneel profiteren van de opbloei zullen mogelijkheden ontstaan voor loonstijging. Werkgevers en werknemers zouden die mogelijkheid niet onbenut hoeven te laten. Ik hoop echter dat de loonstijgingen beperkt of achterwege zullen blijven bij bedrijven die het niet voor de wind gaat. Winstdelingsregelingen kunnen in dit geval uitkomst bieden.”

Wanneer een bedrijf goed draait, zo verzekert Rinnooy Kan, valt automatisch de winstdeling voor werknemers hoger uit. “Maakt een bedrijf verlies, dan is er ook geen sprake van winstdeling. Winstafhankelijke beloning geeft bedrijven een buffer voor slechte tijden. Als een bedrijf ineens wat minder goed draait gaat hoeven niet meteen mensen te worden ontslagen. Dat moet de vakbonden toch ook aanspreken. Winstafhankelijke beloning geeft bedrijven lucht en schept de voorwaarden voor meer flexibele beloning. Op dat punt lopen we in Europa achter. Het afgelopen CAO-seizoen hebben we daar weinig aan kunnen doen. De lonen stegen nauwelijks. Om in dat geval flexibiliteit te creëren zouden we bij enkele bedrijven en bedrijfstakken de lonen hebben moeten verlagen. Maar dat is nog altijd moeilijk. Nu de economie aantrekt ontstaan nieuwe mogelijkheden voor meer flexibiliteit in de loonontwikkeling.”