Ouderen blijken trouwe stembusgangers

AMSTERDAM, 10 JUNI. De thuisblijvers hebben gewonnen: zij vormen een ruime meerderheid van het electoraat. Het CDA lijkt de andere winnaar te worden van deze Europese verkiezingen. Maar de partij dankt die overwinning vooral aan het thuis blijven van de aanhang van de andere grote partijen.

Het diepterecord van de vorige verkiezingen voor het Europese parlement in 1989 - opkomst 43,2 procent - is verbrijzeld. Volgens de prognose van het bureau Inter/View heeft gisteren 35 procent van de kiezers zijn stem uitgebracht, een historisch dieptepunt. Maar tussen verschillende categorieën kiezers bestaan zeer grote variaties in opkomst. Sommige stembureaus haalden de 15 procent niet eens, andere kwamen boven de 65 procent.

Vooral ouderen zijn trouwe stembusgangers: 52 procent van de 65-plussers heeft volgens de enquêtes van Inter/View gestemd. Hoe jonger de kiezers, hoe lager de opkomst. Van de 18- tot 24-jarigen ging slechts 23 procent stemmen. Overigens is het gebruikelijk dat de opkomst onder ouderen hoger is. Dit was ook bij de Kamerverkiezingen op 3 mei het geval. Toen waren de verschillen echter veel kleiner en de absolute opkomstpercentages hoger. Dit betekent dat ouderen bij deze Europese verkiezingen een veel groter deel vormen van de kiezers dan gewoonlijk. Dit keer was 45 procent van de stemmen afkomstig van mensen boven de vijftig jaar, bij de Kamerverkiezingen 37 procent.

Het CDA heeft relatief veel aanhang onder ouderen en hun stembustrouw verklaart dan ook een deel van de hoge score van deze partij. Maar er is meer. Het blijkt namelijk dat vooral niet-religieuze kiezers zijn thuisgebleven. Slechts 28 procent van de niet-religieuzen ging stemmen. Van de gereformeerden ging daarentegen 62 procent stemmen, van de hervormden 47 procent. De katholieken zochten een middenweg: van hen bracht 38 procent zijn stem uit. Wederom, deze volgorde is gebruikelijk bij verkiezingen, alleen ook hier zijn dit keer de verschillen veel groter dan bij de Kamerverkiezingen. Dit verklaart niet alleen een deel van de winst van het CDA, maar vooral ook de voorspelde tweede zetel van kleine christelijke partijen.

Inter/View heeft in een telefonische enquête aan niet-stemmers gevraagd waarom ze niet hebben gestemd. Ruim een derde van hen zei geen interesse te hebben in politiek. Zij vormen dus ruim 20 procent van het totale electoraat, ongeveer net zo veel als er bij de Kamerverkiezingen thuisbleven. Van degenen die op 3 mei niet stemden, bleef maar liefst 97 procent nu ook thuis.

Andere veel genoemde redenen om niet te stemmen waren 'geen tijd' (13 procent) en 'wist niet waarop te stemmen' (11 procent). Acht procent van de niet-stemmers noemde als reden dat hun stem 'er toch niet toe doet'. Opmerkelijk is dat dit percentage anderhalf tot twee keer zo hoog is onder degenen die op 3 mei op de ouderenpartijen en de 'overige' (vooral SP en extreem rechts) hebben gestemd. Het uitbrengen van een proteststem en thuisblijven omdat men meent toch geen invloed te hebben, ligt kennelijk dicht bij elkaar. Onder degenen die op 3 mei op de ouderenpartijen, SP of CD hebben gestemd, was ook de opkomst met 26 procent verreweg het laagst. Ter vergelijking: van degenen die toen CDA stemden ging 57 procent nu stemmen.

Gezien de opkomst is de uitslag eigenlijk nauwelijks verrassend. Ten opzichte van de Kamerverkiezingen wint het CDA vooral dankzij de trouw van de oudere, gelovige kiezers, en verliezen D66 en de VVD iets door de desinteresse van de jongere, niet religieuze kiezers. Deze voorstelling van zaken doet het CDA echter niet helemaal recht. In werkelijkheid is de dynamiek van het electoraat groter: uit de enquête van Inter/View blijkt dat het CDA ten opzichte van de Kamerverkiezingen nog wel wat van andere partijen heeft gewonnen, met name van de VVD, en in iets mindere mate van de PvdA, D66 en de ouderenpartijen (die niet meededen aan deze verkiezingen). Een vijfde van degenen die nu op het CDA hebben gestemd, stemden op 3 mei op een andere partij.

Van de aanhang van de gevestigde partijen is die van GroenLinks het meest op drift. Van degenen die op 3 mei op deze partij stemden ging de helft nu ook stemmen. Daarmee halen de toenmalige GroenLinks-kiezers de derde plaats in stembustrouw, na de kleine christelijke partijen en het CDA. Maar ze mogen dan trouw zijn aan de stembus, ze zijn geenszins trouw aan hun partij. Van die helft stemde maar iets meer dan de helft weer op GroenLinks. De rest liep over naar de PvdA, D66 of 'overige' (waarschijnlijk de Groenen, maar zo gedetailleerd is de weergave van de enquêteresultaten niet). Geen andere partij had zo'n hoog percentage overlopers.

De uitslag van deze verkiezingen vormen een slechte graadmeter voor de kracht van partijen in de nationale politiek. Dat komt niet zozeer door de lage opkomst, als wel door de scheve verdeling daarvan. Om toch een beeld te krijgen van die nationale krachtsverhoudingen, hield Inter/View gisteren ook een telefonische enquête met de vraag op welke partij men zou stemmen als er die dag verkiezingen voor de Tweede Kamer zouden zijn geweest. De uitslag van die enquête kwam vrijwel exact overeen met de uitslag van de verkiezingen op 3 mei. De partijen van de paarse coalitie in wording zouden zelfs ietsje winst boeken - twee zetels voor de PvdA, een voor de VVD en een voor D66 - terwijl het CDA, GroenLinks en de ouderenpartijen één, respectievelijk één en twee zetels zouden verliezen. Maar aangezien de betrouwbaarheidsmarges van zulke enquêtes één à twee zetels bedragen, moet daaraan niet al te veel betekenis worden gehecht.

Kortom, de kiezer is sinds de Tweede-Kamerverkiezingen van zes weken geleden niet noemenswaardig van mening veranderd.