Onenigheid

Ik droomde dat ik in Berlijn moest zijn en nam de trein. Ik zat alleen in een coupé. De conducteur gaf me een aai. Dat was, zoals hij zei, omdat er eerst een oude vrouw gezeten had.

In de volgende stad, nog lang niet waar ik wezen moest, liet ik mij op sleeptouw nemen door iemand die op zoek was naar iemand anders. We liepen langs grachten en huizen. Ik had er zelf eigenlijk niets mee te maken.

Mijn trein reed ondertussen door. Er was, besefte ik opeens, geen enkele manier om hem in te halen. Nee, geen paniek. Het was een taai besef van domheid en ontgoocheling.

Toen ik nog boeken schreef kwamen mijn dromen dikwijls goed van pas. Als het over de oorlog ging droomde ik van Adolf Hitler, als het over mijn familie ging droomde ik van mensen die gestorven waren, als het over liefde ging droomde ik van moeilijkheden. Die dromen konden zo in het verhaal.

Sinds ik, vandaag 681 afleveringen geleden, aan deze rubriek begon, droomde ik nauwelijks meer.

Maar de laatste tijd weer wel, en bijna altijd over ongerief of oponthoud. Dat ik verzuim, moedwillig haast, een brief te posten. Dat ik een afspraak maak en aan het dwalen sla. Net of je een berg oploopt, maar zonder uitzicht op de top.

Ik heb erover nagedacht.

Ik ben het niet met deze dromen eens.