Niets is te erg om af te beelden; Art Spiegelman over strips, muizen en de Holocaust

In Maus, het stripverhaal van Art Spiegelman over de Holocaust, worden de joden consequent afgebeeld als muizen, de nazi's als katten en de Polen als varkens. Toch is Maus volgens Spiegelman geen fictie. “Hoezeer ik mijn materiaal ook verdicht en bewerkt heb, het blijft de weergave van de gesprekken met mijn vader.” Onlangs verscheen de vertaling van het tweede deel.

Art Spiegelman: Maus II - En hier begon mijn ellende pas. Vert. Jessica Durlacher. Uitg. Oog & Blik, 136 blz. Prijs ƒ29,95.

De vertaling van Maus I is verschenen bij Bruna; de Engelse uitgaven bij Penguin Books.

De tentoonstelling over Maus in het Joods Historisch Museum is nog t/m 14 aug. te zien. Jonas Daniël Meijerplein 2-4, Amsterdam. Dag. 11-17u.

“Een 'Auschwitz-voor-beginners' was niet wat me voor ogen stond. Mijn boek wordt nu gebruikt op middelbare scholen, maar ik heb nooit de bedoeling gehad om iemand iets te leren - zelfs niet dat de Holocaust niet vergeten mag worden. Wie lessen trekt uit iets wat gebeurd is, verleent die gebeurtenis met terugwerkende kracht een zeker nut. En wat er in de nazikampen gebeurde, was zó nutteloos, zó zinloos...”

Toen Art Spiegelman, tekenaar in New York en mede-oprichter van het undergroundblad Raw, in 1980 begon met Maus - A Survivor's Tale, werd hij een gemakkelijk doelwit voor kritiek. Een stripverhaal over de Holocaust, met muizen en katten in de hoofdrollen, dat moest wel smakeloos zijn, of op zijn minst gevaarlijk oppervlakkig. En zelfs al zou de tekenaar kitsch weten te vermijden, welke serieuze lezer zou zich voor zijn verhaal interesseren?

Spiegelman trok zich er niets van aan. 'Ik ben een tekenaar,' placht hij te zeggen. 'En dus is Maus een strip. Wat had je anders verwacht? Een ballet?' Zes jaar later, toen de eerste hoofdstukken van Spiegelmans strip gebundeld werden in Maus I (My Father Bleeds History), was de kritiek al grotendeels verstomd. De getekende lotgevallen van het joodse echtpaar Vladek en Anja Spiegelman in het Polen van de jaren 1935-1944 werden algemeen geprezen - als een indrukwekkend epos over de jodenvervolging, maar ook als de doorbraak van een nieuw literair genre: de graphic novel, waarin tekst en tekeningen een even belangrijke plaats innemen.

Het tweede deel van Maus, over het verblijf van Spiegelmans vader in het vernietigingskamp Auschwitz, verscheen in 1992. Meer nog dan in deel I deed Spiegelman verslag van de twijfels en schuldgevoelens die hem overvielen bij het optekenen van zijn vaders overlevingsverhaal. 'Dat kan toch eigenlijk niet, een werkelijkheid reconstrueren die erger was dan mijn zwartste dromen,' laat hij zichzelf (in muizengedaante) zeggen. 'En dat alles ook nog als strip.' Maar de kritieken waren zo mogelijk nog lovender, en Spiegelman kreeg de prestigieuze Pulitzer Prize. Hors catégorie, want volgens de jury waren de termen fictie of non-fictie, biografie of autobiografie, op Maus niet van toepassing.

“Maus slipt inderdaad door alle categorieën heen,” zegt Spiegelman (45) wanneer ik hem spreek in een verlaten lokaal van de Haarlemse school waar hij net urenlang heeft gesigneerd. “Het is deels een biografie van Vladek, deels een autobiografie. Het heeft de structuur van een roman en de vorm van een dierenstrip. En dus kun je het overal in de boekhandel tegenkomen, behalve misschien op de afdeling Koken en Tuinieren.

“Eén ding is Maus in ieder geval niet: fictie. Hoezeer ik mijn materiaal ook verdicht en bewerkt heb, het blijft de weergave van de gesprekken met mijn vader die ik op de band had opgenomen. Toen deel II op de fictiebestsellerlijst van de New York Times terecht kwam, heb ik meteen geprotesteerd. In een open brief schreef ik dat David Duke, de machtigste neo-nazi van Amerika, heel tevreden zou zijn als hij zou zien dat het verhaal van mijn vader als fictie beschouwd werd. 'Goed,' antwoordde een van de Times-redacteuren: 'we gaan naar Spiegelmans huis, en als de deur wordt opengedaan door een grote muis, dan zetten we zijn boek bij de non-fictie.' Uiteindelijk hebben ze dat ook zonder die expeditie maar gedaan.”

Sigaret

Art Spiegelman - sluik zwart haar, hoornen bril, altijd een sigaret in zijn mond - is in Nederland ter gelegenheid van de Haarlemse Stripdagen, die twee jaar geleden werden opgezet door zijn collega en vriend Joost Swarte. Hij maakt een uitgeputte indruk, wat gezien zijn volle programma niet verwonderlijk is. In Haarlem en Amsterdam signeert hij de onlangs verschenen Nederlandse vertaling van Maus II (ondertitel: 'En hier begon mijn ellende pas'). De dag na ons gesprek treedt hij in de Amsterdamse Kleine Komedie op in de serie 'American Literature Today' van het John Adams Institute. En tussendoor is nog een bezoek gepland aan de expositie die het Joods Historisch Museum in Amsterdam aan de totstandkoming van Maus heeft gewijd.

Op de tentoonstelling wordt aandacht besteed aan twee wegbereiders van Maus: Bernard Krigstein die met Master Race (1955) de eerste strip maakte over de concentratiekampen; en Spiegelmans grote artistieke voorbeeld Harvey Kurtzman, de man die niet alleen de oprichter was van het stripblad MAD, maar ook de bedenker van 'Mickey Rodent', een zwarte parodie op de beroemdste muis ter wereld.

Als ik Spiegelman vraag door welke kunstenaars hij nog meer beïnvloed is, noemt hij de Amerikaanse striptekenaar George Herriman en Franz Kafka. “Herriman bracht poëzie in zijn verhaaltjes en bewees met Krazy Kat dat strip niet per se weggooivermaak hoefde te zijn. Kafka was de enige literator die ik in mijn jeugd las. Wat hij schreef was tegelijkertijd echt en onwezenlijk, komisch en griezelig; het deed me denken aan pulpstrips als Tales from the Crypt, of afleveringen van The Twilight Zone. Eén van zijn verhalen, over de zingende muis Josephine, maakte diepe indruk op me, en speelde door mijn hoofd bij het maken van Maus.

“Ik ben opgegroeid temidden van Amerikaanse populaire cultuur: strips, tv, films. Hogere Kunst, dat was iets voor snobs. Toen ik later de schilderkunst ontdekte, waren het vooral de expressionisten die me aanspraken; hun werk had iets cartoonesks, hun schilderijen zag ik als uitvergrote plaatjes uit een stripverhaal. De invloed van kunstenaars als Frans Masereel en George Grosz is dan ook duidelijk in Maus terug te vinden.”

Gebroken Engels

Het verhaal dat Spiegelman in Maus vertelt, is bekend - uit geschiedenislessen en documentaires, uit dagboeken en memoires. Het is het verhaal van de vervolging van de (Oosteuropese) joden, en van de trauma's die daaruit voortvloeiden. Voor de overlevenden, maar ook voor hun kinderen, de zogeheten 'tweede generatie' waarvan ook Art Spiegelman deel uitmaakt.

In gebroken Engels vertelt Vladek Spiegelman, voor de oorlog een Poolse zakenman in goeden doen, hoe zijn leven stap voor stap onmogelijk gemaakt wordt. Zijn bezittingen worden geconfisqueerd, hij wordt gedwongen om met zijn familie naar een getto te verhuizen, hij duikt onder om te ontkomen aan de razzia's van 1943, en wordt uiteindelijk, samen met zijn vrouw, op de vlucht naar Hongarije gearresteerd, en getransporteerd naar Auschwitz. Zijn zoontje van vijf en veel andere familieleden zijn dan al dood.

Vladek en Anja Spiegelman overleven de selecties, het regime van de kapo's, de honger en de kou en vinden elkaar na de bevrijding terug. Via Stockholm (waar in 1948 hun tweede zoon Art wordt geboren) emigreren ze naar Amerika, om de rest van hun leven gebukt te gaan onder hun ervaringen. Anja pleegt zelfmoord in 1968; Vladek, die de dood van zijn eerste zoon nooit te boven komt, sterft in 1982.

Het sober vertelde en onsentimentele Maus is een aangrijpend boek, of, om het persoonlijker te zeggen, het enige stripverhaal dat me ooit werkelijk heeft geroerd. Wat het onderscheidt van andere survivors' tales is de bijzondere vorm. Spiegelmans hoekige tekeningen, uitgevoerd in het grimmige zwart-wit van houtsneden uit de jaren twintig, sluiten perfect aan op de sombere dreiging van Vladeks woorden. De consequent uitgewerkte dierenmetafoor - joden zijn muizen, nazi's zijn katten en Polen zijn varkens - maakt geen inbreuk op de ernst van het verhaal, maar schept een onwerkelijke sfeer die goed past bij de absurde gruwelijkheid van de gebeurtenissen.

“Het basisidee voor Maus is al heel oud,” vertelt Spiegelman. “Aan het begin van de jaren zeventig werd ik gevraagd om een antropomorfe dierenstrip te maken voor het blad Funny Aminals. Aanvankelijk was ik van plan om een kat-en-muisparodie te maken op de horrorstrips waarmee ik in de jaren vijftig was opgegroeid; of een satirische strip over zwarte muizen die het moesten opnemen tegen de Ku Klux Kats. Toen herinnerde ik me een beruchte scène uit een nazi-propagandafilm waarin een opname van joden in het getto gevolgd wordt door een van ratten in het riool. Dat verbond ik met de verhalen van mijn vader en moeder over hun ervaringen in de oorlog - en de oer-Maus was geboren.

“Een van de belangrijkste aspecten van de Endlösung was de ontmenselijking van de slachtoffers. Denk maar aan het motto van Maus I: een citaat van Hitler, waarin hij ontkent dat de joden menselijk zijn. De nazi's schilderden de joden af als schadelijke dieren die verdelgd moesten worden; niet voor niets maakten ze in de gaskamers gebruik van de pesticide Zyklon B. In Maus heb ik die nazistische metafoor een andere draai willen geven. Mijn hoofdpersonen zijn muizen, en heel wat menselijker dan hun vervolgers.”

Barbaars

De Maus-tentoonstelling in het Joods Historisch Museum begint met een citaat van Theodor Adorno: 'Een gedicht schrijven na Auschwitz is barbaars.' Is dat wel een gelukkig motto voor een expositie over een Holocauststrip? Spiegelman lacht en vertelt dat Adorno op zijn uitspraak terugkwam toen hij het gedicht 'Zwarte Melk' van Paul Celan had gelezen; barbaars waren daarna alleen slechte gedichten.

“Het citaat is gekozen om het probleem van kunst na - én over - de Holocaust aan te stippen. Kunst is er altijd op gericht om plezier te verschaffen, of een katharsis te weeg te brengen die opluchting brengt. Mag je daar wel het bloed en het lijden van de vervolgde joden voor gebruiken? Ontheilig je dan niet de herinnering aan de Holocaust? Nee, vind ik; niets is te verschrikkelijk om afgebeeld te worden. Maar de kunstenaar moet het wel respectvol doen.”

Ligt daar de basis van de felle kritiek die Spiegelman de afgelopen maanden op de film Schindler's List van Steven Spielberg heeft gegeven?

“Ik weet niet of ik Spielberg een kunstenaar zou noemen; ik zie hem meer als een van de grootste zakenlieden van deze eeuw - wat hem grappig genoeg in de ogen van Andy Warhol ('the art of America is business') tot een groot kunstenaar zou maken. Met Schindler's List heb ik moeite. Spielberg ziet er geen been in om zich het verleden toe te eigenen, een surrogaatwerkelijkheid te creëren, en zijn film vervolgens een document te noemen. Dat is de waanzin ten top: vijftig jaar na dato een document willen maken.

“Het gevaar zit 'm in het feit dat Schindler's List wordt gepresenteerd als een geschiedenisles. In het licht van de jodenvervolging is de figuur Schindler, de niet-joodse goede Duitser, niets meer dan een interessante anomalie. Het zou goed zijn als Spielberg dat de wereld eens duidelijk maakte.

“Ook op de details van Schindler's List is wel het een en ander aan te merken. Neem de beruchte douche-scène in Auschwitz. Wanneer er na minuten spanning geen gas maar water uit de sproeiers komt, doet dat nog het meest denken aan een spectaculaire ontsnapping à la Indiana Jones. Dit soort scènes moet je niet dramatisch uitspinnen, maar, zoals ik in het eerste hoofdstuk van Maus II heb gedaan, terughoudend in beeld brengen. Je moet je hoeden voor het exploiteren van leed.”

Poppenkast

Spiegelman zegt dat hij niet wil dat er ooit een film van Maus wordt gemaakt. “Maus is een strip. Punt. Het is niet zo dat ik eerst het verhaal had en toen dacht: wat zal ik er eens van maken, een opera, een roman, een poppenkastvoorstelling? Vorm en inhoud zijn direct met elkaar verbonden. De stripkaders, de dierengezichten en de taaleigenaardigheden van mijn vader dragen er toe bij dat het verhaal nooit melodramatisch wordt. In een film zou dat allemaal verloren gaan. Ik vind het trouwens al een risico om Maus te laten vertalen in een andere taal, laat staan naar een geheel ander medium.”

Ik merk op dat Maus door de verfilming een nog groter publiek zou kunnen bereiken. Spiegelman antwoordt dat het niet meer hetzelfde boek zou zijn. “Bovendien wil ik de komende jaren ook nog wel eens over iets anders kunnen praten dan over Maus.”

Uit zijn tas haalt Spiegelman een proefexemplaar van zijn nieuwe boek: een geïllustreerde uitgave van een vergeten, lang gedicht van Joseph March uit 1928. “Dit is het gedicht waarvan William Burroughs heeft gezegd dat het hem tot schrijver heeft gemaakt. Onderwerp: een wilde orgie ten tijde van de Drooglegging. Het was een opluchting om na dertien jaar eindelijk weer eens te werken aan een normaal boek. Zonder joden, zonder nazi's, zonder katten, en zonder muizen.”