Natuurlijke historie der kabouters

Iedereen heeft natuurlijk wel eens een kabouter gezien. Er zijn huis-, tuin en keukenkabouters (Koboldus domesticus, Koboldus hortensis en Koboldus officinalis); kabouters vertonen zich niet graag en leiden een verborgen bestaan; de meeste waarnemingen betreffen de tuinkabouter, vaak met een kruiwagentje, een spade over zijn schouder, of een bos bloemen in zijn armen. Wat je niet vaak meemaakt is dat ze bewegen.

Maar er zijn ook andere: je hebt het aardmannetje (Nanus terrestris), de dwerg (Nanellus), de trol (Trollius), de gnoom (Leprechonium), het bosduveltje (Daemon sylvestris); er bestaan ook vrouwelijke soorten: elfen (Alve) en waternimfen (Nixii), maar de geslachten gaan zelden met elkaar om (segregatie). Al deze wezens zijn uiterst schuw en vertonen zich slechts bij hoge uitzondering aan een mens.

De meeste kabouters zijn alleen 's nachts actief (Noctambule) en slapen overdag; zij zijn dol op melk en pap, die 's avonds voor hen moet worden klaargezet. Dit voedsel nuttigen zij nooit van een bord, maar altijd uit een nap ('een eenvoudige houten nap'). Uit dank ruimen zij de rommel op, stoppen de sokken en verstellen het ondergoed; wanneer dwergen schoenen repareren spreekt men van lappen ('Kijk mama, mijn schoenen zijn gelapt!'); hun werk is herkenbaar aan de fijnheid van het stiksel.

Veel kabouters zijn honderden jaren oud; zij dragen meestal een puntig hoofddeksel en gebruiken gespikkelde paddestoelen als zetel. Wanneer zij tevreden zijn brengen ze geluk, maar als ze het niet zijn slaat de armoede toe. Bij sommige dwergen bestaat de gewoonte een prinses, als deze er niet in slaagt hun naam te raden, om haar eerstgeborene te vragen; dit bleef ons Koningshuis tot dusver bespaard. Een veel voorkomende kabouternaam is Repelsteeltje.