Na de dood wacht het eeuwig clubhuis; Het vrolijke verzet van Anna Enquist

Anna Enquist: Een nieuw afscheid. Uitg. De Arbeiderspers, 68 blz. Prijs ƒ 29,90.

Drie bundels in nog geen drie jaar tijd, lovende recensies, herdruk op herdruk, prijzen voor de eerste twee bundels: zoiets moet voor iedere dichter een vreemde ervaring zijn, en zeker voor een dichter die nog maar sinds enkele jaren dicht. Het overkwam Anna Enquist. “Ik voelde me na mijn debuut ontwricht door het succes,” vertelde ze anderhalf jaar geleden in een interview. “Het werd steeds maar meer en dat had iets van een raar sprookje. Er viel geen wanklank. Ik weet niet of ik dat helemaal vertrouw, want er is op mijn poëzie toch van alles aan te merken.”

Inmiddels zal haar vertrouwen in de kritiek danig zijn toegenomen. Aan wanklank heeft ze sinds een tijdje geen gebrek meer. Kort na elkaar lieten Huub Beurskens, Marc Reugebrink en Hans Tentije weten dat er op Enquists poëzie inderdaad van alles viel aan te merken. De toon van hun stukken was opmerkelijk venijnig, alsof ze zich zelf door het succes van Enquist aangevallen voelden. Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes zetten zich zelfs aan het schrijven van een pamflet, onder de titel 'Waarom zijn de gedichten van Anna Enquist zulke shitgedichten'.

Waar de dichteres deze hetze nu opeens aan te denken heeft is mij niet helemaal duidelijk. Enquist schrijft gedichten die gemengde gevoelens oproepen, al was het alleen maar omdat ze uit gemengde gevoelens zijn ontstaan. Er zit een pathetische kant aan, de beeldspraak is wel eens slordig, er worden grote woorden in gebruikt en grote gebaren in gemaakt. Maar dat hoeft waardering voor andere kanten van haar werk niet uit te sluiten. Het verrassende van het nieuwe is er af, op het debuut volgden twee bundels met meer van hetzelfde, het hoge tempo heeft de precisie geen goed gedaan - maar haar poëzie is in elk geval nog steeds gedurfd, grillig en eigenzinnig. Het ligt er maar aan waar je het accent op legt.

Enquist lijkt mij niet zozeer een anekdotische dichteres die doelbewust grote waarheden formuleert, maar veel meer een surrealistische bevlogene die zelf als het ware ook overvallen wordt door wat er uit haar bron opborrelt. Eenvoudig, of toegankelijk, of herkenbaar is haar poëzie dan ook niet. Zij moet het hebben van irrationele overgangen, vreemde wendingen, versnellingen en vertragingen, verrassende stijl- en registersprongen, rake beelden en al dan niet bedoelde humor. Regelmaat is er nauwelijks. Parafraseerbaar is zij niet. Haar poëzie is misschien wel lichamelijker en experimenteler dan haar aanvallers lief is. Het hierbij afgedrukte gedicht 'Poëtica' is een goed voorbeeld van hoe het in haar poëzie vaak toegaat.

Verrassend in 'Poëtica' is de verbinding tussen bot en mes en aanrecht. Daardoor krijgt de uitdrukking 'tot op het bot naderen' weer een letterlijke betekenis. Wij (dat wil zeggen: de dichters) denken op zoek te zijn naar de waarheid als naar het bot in een stuk vlees dat voor ons op het aanrecht ligt. Maar we hebben het mes nog niet ter hand genomen of we slaan meteen op de vlucht en sturen onszelf het bos in. Daar lijken we aanvankelijk veilig, maar ongevraagd dient zich dan een andere waarheid aan, die we misschien nog wel veel meer vreesden. Dat is de waarheid van 'blad rood blad groen blad oker', van 'stinkend loof en losse stiksels', de waarheid van herfst, bederf en verval, voorbode van de ijskoude waarheid van de dood.

Unox-gezelligheid

Zo gaat dat dus, dichten: de waarheid willen weten, er voor op de loop gaan en er toch via een omweg op stuiten, en daar dan weer een gedicht over schrijven. Het lijkt, in zijn schijnbewegingen, wel een Komrij-gedicht. In een ander herfstvers lezen we, over het eind van de zomer: 'Men is tot in de grond / vermoeid en leeggegeten, heeft te weids en onverhoeds gebloeid.' Dat is mooi gezegd, gedragen en humoristisch tegelijk. Het lijkt wel op Kouwenaar, maar de volgende regels niet: 'Nooit was het raam / meer raam, nu het toeschuift voor rookworst en lamplicht'. Ook dat is grappig van formulering. In de herfst krijgt het raam zijn opperste identiteit terug, meteen gevolgd door de Unox-gezelligheid van rookworst onder de tafellamp.

Zo zijn er ook in Enquists derde bundel genoeg bijzondere regels te vinden. Een gedicht als 'Druk bezig' is wat omslachtig, maar bevat enkele mooie waarheden over het quasi doelmatige van het moderne leven. Nog niet eerder merkte iemand op dat wij tegenwoordig nooit meer 'peinzen over breking van licht / met druipende mouwen in het aquarium'; verloren gegaan ten gevolge van de uitvinding van 'de magnetische algenschraper'. Er is een mooi gedicht over de mislukte uitvoering van een serenade van Suk: 'de spelers wrikken moeizaam / aan het dorre lied', maar het mag niet baten: 'Ver- kleumd / staren de luisteraars naar het gebied / tussen hun voeten, duister mozaïek.' Enquist goochelt wel eens diepzinnig met begrippen als tijd en ruimte, maar haar omschrijving van het hiernamaals is concreet en geestig: achter de eindstreep wacht, voor wie er althans in gelooft, een 'eeuwig clubhuis'.

Vuur!

Het bijzondere van haar poëzie zit vooral in haar houding. Aan het leven wordt niet getwijfeld en al helemaal niet aan de de dood die erop volgt, en er is genoeg besef van de alledaagse tragiek van 'moeheid en deceptie jaar na jaar', van 'afscheid op afscheid' - maar dat alles wordt tegelijk krachtig bestreden. Door een simpele uitroep als 'Vuur!', door aansporingen als 'Alles ervaren zonder verdoving' en door montere waarheden als 'Men kan niet blijven zeuren.' Hier ergens, bij zulke zinnen, ligt de scheidslijn tussen Enquists voor- en tegenstanders: tussen lezers die oog hebben voor het vrolijke verzet tegen de gang van zaken en lezers die hier alleen maar larmoyant getob in zien. Het succes van Enquists poëzie is moeilijk te verklaren, maar ik denk dat veel mensen graag zulke aanbevelingen lezen: men kan niet blijven zeuren.

UIT: ANNA ENQUIST, EEN NIEUW AFSCHEID

Poëtica

Wij denken dat wij de waarheid

tot op het bot naderen als wij

gedichten maken. Wij smijten

het mes op het aanrecht, rennen

het huis uit, glijden het bos in.

Het hoofd vult zich met blad rood

blad groen blad oker. De waarheid

is dat wij denken aan stinkend

loof en losse stiksels. De waarheid

blaast ons ijskoud tegen de wangen.