Jakarta ruziet om investeringsdecreet

JAKARTA, 10 JUNI. Binnen het Indonesische kabinet is onenigheid gerezen over een recent regeringsdecreet dat het regime voor buitenlandse investeringen aanzienlijk versoepelt. Het besluit in kwestie schaft het plafond voor buitenlandse deelnemingen en de verplichting tot geleidelijke desinvestering binnen joint ventures af en stelt een aantal tot dusverre als strategisch aangemerkte bedrijfstakken open voor volledig buitenlands eigendom. Enkele dagen na de bekendmaking tekenden twee ministers protest aan tegen het decreet dat nationale belangen zou schaden en in strijd zou zijn met bestaande wetgeving. Deze openlijke aanvaring tussen 'technocraten' en 'ideologen' binnen het kabinet doet vermoeden dat een en ander is voorbereid in een beperkte kring van bewindslieden.

Vorige week werd het regeringsdecreet nummer 20/1994 gelanceerd door de kabinetschef van de president en tevens minister van algemene zaken Moerdiono, minister van industrie Tunky Ariwibowo en minister van investeringen Sanyoto Sastrowardoyo. De drie bewindslieden deelden mee dat met onmiddellijke ingang een aantal beperkingen voor buitenlandse investeerders werd ingetrokken. Nog pas vorig jaar vastgelegde verplichtingen als een minimale kapitaalinleg van 250.000 dollar, desinvestering op termijn door de buitenlandse partner in joint ventures tot een aandeel van ten hoogste 49 procent en een initieel plafond van tachtig procent voor buitenlandse deelnemingen werden afgeschaft.

Het decreet behelst tevens openstelling van sectoren als zeehavens, telecommunicatie, energie, spoorwegen, burgerluchtvaart, kernenergie en massamedia voor buitenlandse deelneming. Het strategische belang van deze sectoren gold tot dusverre als argument voor uitsluiting van buitenlanders. Het minimale Indonesische aandeel in joint ventures werd verlaagd van twintig tot vijf procent en volgens het decreet kunnen buitenlanders voortaan voor honderd procent eigenaar worden van ondernemingen in heel Indonesië. Tot nu toe was volledige buitenlandse eigendom alleen toegestaan in minder ontwikkelde gebieden buiten de industriële groeipolen van Java, Sumatra en Oost-Kalimantan. Voor ondernemingen die voor de volle honderd procent buitenlands eigendom zijn, blijft na vijftien jaar een vorm van desinvestering voorgeschreven, maar het decreet noemt geen percentages en minister Sanyoto suggereerde dat een Indonesische deelneming van luttele procenten zou volstaan.

De drie ministers zeiden dat deze vergaande maatregel is ingegeven door de enorme behoefte aan investeringskapitaal. Sanyoto sprak van een investeringsbehoefte van 305 miljard dollar gedurende de zojuist aangevangen planperiode van vijf jaar. Daarvan zouden particulieren, buitenlandse ondernemers inbegrepen, 73 procent voor hun rekening moeten nemen.

Minister van industrie Ariwibowo: “We zullen een slag om de investeerdersgunst moeten leveren met geduchte concurrenten als China, Vietnam, India en andere Aziatische landen.” Vorig jaar daalde het bedrag aan goedgekeurde buitenlandse investeringen met een zorgelijke 21,4 procent (van 10,3 miljard naar 8 miljard dollar) in vergelijking met 1992. Ariwibowo bracht onder de aandacht dat elk jaar circa tweeëneenhalf miljoen jonge Indonesiërs de arbeidsmarkt betreden en dat de behoefte aan nieuwe werkgelegenheid groot is.

De maatregel werd door zakenlieden uit binnen- en buitenland over het algemeen met instemming begroet, hoewel een enkele commentator vraagtekens zette bij de uitvoerbaarheid ervan, gezien de heersende bureaucratische en protectionistische praktijk in Indonesië.

Het eerste openlijke verzet kwam vanuit het kabinet zelf. Minister van informatie Harmoko, een vertrouweling van president Soeharto en sinds vorig jaar op diens voordracht voorzitter van de regeringspartij Golkar, toonde zich verbaasd over het besluit en zei dat hij, nota bene de woordvoerder van het kabinetsberaad, hierin niet was gekend. “Wat mij betreft”, aldus Harmoko, “blijven de Indonesische media gesloten voor buitenlanders, zoals gestipuleerd in de Perswet van 1982.” Als de functionaris die bedijfsvergunningen voor het uitgeverijwezen verstrekt én intrekt zou hij erop toezien dat “geen buitenlander ooit zeggenschap krijgt over een binnenlands krantenbedrijf of televisiestation”. Na een onderhoud met Soeharto zei Harmoko dat de president achter hem stond. Dat wierp meteen de vraag op welke ministers nu eigenlijk de zegen hebben van het staatshoofd, want Moerdiono, kabinetschef van de president, had de maatregel zelf naar buiten gebracht.

Harmoko kreeg bijval uit de branche. De Vereniging van Journalisten en het verbond van krantenuitgevers, kennelijk bevreesd voor overnames door internationale magnaten, spraken zich unaniem uit tegen openstelling van de Indonesische massamedia voor buitenlandse deelneming. Woordvoerders van beide organisaties riepen de regering op het decreet te herzien. Zij werden hierin gesteund door een aantal leden van het parlement die verklaarden dat de Indonesische media “niet te koop zijn”.

Deze week sloot ook minister van justitie Oetojo Oesman zich aan bij de critici van het decreet. Tijdens een hoorzitting van de parlementscommissie voor juridische zaken zei hij, gezien de strijdigheid van het decreet en bestaande wetgeving, twijfels te hebben over de uitvoerbaarheid van het besluit. “Wetten vormen regelgeving van een hogere orde dan decreten”, aldus de bewindsman. Toen hem de vraag werd voorgelegd of een en ander wees op gebrekkige coördinatie binnen het kabinet, zei Oetojo: “Concludeert U zelf.”

Daarop gingen de indieners van het decreet in het tegenoffensief. Kabinetschef en minister van algemene zaken Moerdiono verscheen woensdag voor het parlement en noemde de maatregel “een bittere noodzaak in deze tijd van globalisering. Of we dat nu leuk vinden of niet, Indonesië maakt deel uit van dit wereldwijde proces”. Hij onderstreepte dat het pakket niet in het bijzonder mikte op de media, maar dat deze sector staat vermeld in de wet op de buitenlandse investeringen van 1967 en dat het nieuwe decreet een precisering is van deze wet. Moerdiono bestreed dat het jongste besluit de vaderlandse pers uitleverde aan buitenlandse machten en zei dat de Perswet van 1982 dit juist uitsloot. Het decreet hoeft dan ook niet te worden herzien, aldus Moerdiono.