In de computer

Toen computers net bestonden en zo groot waren dat ze hele kamers vulden, was het moeilijk om uit te leggen wat het nu precies voor machines waren. Er stond een groot zoemend apparaat en daar tegenover zat een fronsende man aan een toetsenbord.

Als je wilde weten wat ie deed, zeiden de uitleggers: nu vraagt hij de computer iets. Een paar minuten of een paar uur later begon er dan ergens een bakbeest van een typemachine te ratelen.

Als je vroeg wat er gebeurde, keken de uitleggers een beetje moeilijk, alsof ze tegen hun zin gingen liegen. Dan zeiden ze, uh, de computer heeft over de vraag nagedacht, en dit denkt hij ervan.

Geen wonder dat mensen het griezelig vonden en aan de keukentafel wel eens bezorgd waren over de toekomst. Dan mopperden ze tegen elkaar zoiets als dit: Straks meneer, hebben wij mensen niks meer te zeggen. Dan zitten er computers in de regering en komt er weer een soort Hitler-tijd. De mensen die niet even gehoorzaam zijn als robots verdwijnen in de gevangenis.

Dat is tot nu toe reuze meegevallen. Het gevaar komt nog altijd meer van mensen dan van computers. Dat heeft er alles mee te maken dat mensen denken en computers niet. Maar als computers niet denken, hoe werken ze dan wel? Hoe kunnen computers al die verbluffende dingen doen, zoals hele encyclopedieën onthouden, de belasting uitrekenen, Zelda en Mario 2 met je spelen of schaken, als ze geen hersens hebben?

Nou, dat zit zo, in computers zitten kabouters. Zelfs de kleinste computer, bijvoorbeeld die in je vaders fototoestel of in de wasmachine, is een mierenest vol hele kleine kabouters. En nu komt het, het geheim van de elektronica is dat die kabouters ongelooflijk dom zijn. Ze kunnen werkelijk niks, of bijna niks. Ik bedoel, ze kunnen niet praten, in hun neus peuteren, zich vervelen, voetballen of jam maken; het zijn onvoorstelbare sukkels. Ze kunnen alleen dit: liggen of staan. Maar of ze nou liggen of staan, ze kijken altijd even duf voor zich uit. Het is binnenin computers in feite een heel saaie en zelfs een beetje zielige boel.

Eén ding moet gezegd, ze zijn razendsnel. Als ze staan kunnen ze sneller gaan liggen dan wij met onze ogen knipperen. En andersom, al liggen ze nog zo sloom op hun rug, ze kunnen bliksemsnel in de houding springen. Wat doen die kabouters als ze alleen maar kunnen liggen of staan? Ze onthouden iets voor ons, net zoals de balletjes op een telraam. Een kluitje van zes kabouters, waarvan de eerste vier liggen, er eentje staat en de laatste weer platligt, hebben ze bv. het getal 2 genoemd. Voor het getal 3 moet de kabouter die staat gaan liggen en die kabouter voor hem opstaan.

Het klinkt een beetje sukkelig, maar als je maar genoeg kabouters hebt zijn de mogelijkheden duizelingwekkend. Stel je een voetbal-stadion vol kabouters voor, of beter nog, duizend voetbalstadions. Je kent die televisie-reclame misschien voor British Airways, die ermee eindigt dat er midden op een rotsvlakte een lachend gezicht getekend is, dat knipoogt en daarna verandert in een kaart van de wereld. Als je goed kijkt zie je dat het gezicht bestaat uit honderden mensen die ieder een vlaggetje boven hun hoofd houden. De ene kant is wit, de andere blauw. Als iedereen op het goede moment zijn vlaggetje omdraait of juist stilhoudt kan van bovenaf gezien het gezicht zomaar een kaart van de wereld worden. Ieder vlaggetje onthoudt een heel klein stukje van de tekening.

Zo doen de kabouters in een computer het ook. Ze liggen of staan, en in clubjes vormen ze samen getallen. En omdat je alles kunt ophakken in kleine stukjes die je een nummer geeft, kunnen computers alles onthouden, niet alleen getallen en letters, maar ook de spelling van het woord penaltystip, de manier om een staartdeling te doen, of de glimlach op Mario's gezicht als ie vleugeltjes krijgt.

De programmeurs, die al die miljarden kabouters in de goede volgorde hebben gezet en ze hebben geleerd elkaar te vertellen wanneer ze moeten gaan liggen of staan, die zijn slim. De kabouters in een computer kunnen maar tot twee tellen, maar juist omdat ze dat zo bliksemsnel kunnen en met zo veel zijn, kunnen ze samen dingen doen die er van een afstandje heel ingewikkeld uit zien.

Als je aan het toetsenbord van een computer zit, of aan de joystick van je spelcomputer, gaan er miljoenen duffe kabouters liggen en staan, in een razend tempo. En zonder dat ze het weten kun je ze laten schrijven, tekenen, rekenen, muziek maken, Mario spelen of schaken. De snelle domheid van miljarden kabouters maakt dat computers slim lijken.