Het wetenschappelijk onderzoek kan veel leren van de markt

Onderzoekers en assistenten in opleiding (OIO's en AIO's) worden vaak werkloos na hun promotie.

De wachtgelden drukken zwaar op het budget van universiteiten en overheid en dat is een rem op het promotieonderzoek. Er moet beter gelet worden op de vraag naar onderzoekers, vindt Gerard Pfann.

De Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO) verdeelt de onderzoeksgelden voor de overheid. Zij subsidieert promotieonderzoek in de vorm van een arbeidscontract voor onderzoekers-in-opleiding, de zogeheten OIO's. Hoogleraren kunnen jaarlijks onderzoeksvoorstellen indienen bij NWO om mee te dingen naar beschikbare OIO-plaatsen. Als het voorstel wordt gehonoreerd kan de promotor een passende kandidaat zoeken voor de uitvoering van het onderzoek. De OIO's zijn in dienst van NWO.

Promovendi krijgen in de regel een arbeidscontract van vier jaar aangeboden, zonder de garantie voor verlenging of een academische carrière. Als na deze periode het proefschrift nog niet is afgerond, of de promovendus geen baan kan vinden, is de werkgever verplicht wachtgeld uit te keren. De afgelopen jaren is het aantal promovendi dat aanspraak maakt op de wachtgeldregeling zorgwekkend toegenomen en NWO is daardoor in financiële moeilijkheden geraakt. De jaarlijkse begroting van NWO bedraagt circa vierhonderd miljoen gulden, waarvan nu twintig miljoen op gaat aan wachtgeld. De slagvaardigheid van NWO komt daardoor in het geding. Dat geldt ook voor de universiteiten. Bij een afnemend budget drukt de aanspraak op wachtgeld loodzwaar op de begroting. Vorig jaar heeft de Universiteit van Amsterdam een begin gemaakt met de vervanging van assistenten-in-opleiding (AIO's) door 'doctoraatstudenten' met een beurs. AIO's zijn promovendi in dienst van de universiteit. Door middel van de invoering van een beurzenstelstel voor promovendi probeert de UvA een toekomstige aanspraak op wachtgeld door AIO's te omzeilen.

In de wereld van het promotieonderzoek spelen drie kwesties: de vraag hoe een vaste termijn van vier jaar is bepaald; de vraag of promovendi op de loonlijst van universiteiten of NWO zouden moeten staan; en de vraag of het niet beter is wanneer promovendi zelf met onderzoeksvoorstellen komen in plaats van uitvoerder te zijn van een onderwerp dat door de promotor is bedacht.

De eerste vraag is gemakkelijk te beantwoorden. Het antwoord luidt: die vier jaar zijn volstrekt willekeurig! De tijdsduur is louter ingegeven door een ad hoc beslissing van de overheid. Men zou de stelling kunnen verdedigen dat iedereen die een proefschrift wil schrijven daar zijn eigen tijd voor moet kunnen nemen. Dan rijst wel de vraag wie dat moet betalen. Het standpunt van de Nederlandse overheid biedt weinig houvast. Wanneer we NWO beschouwen als representant van de Nederlandse regering, dan kunnen we vaststellen dat zij een investering van vier jaar voldoende vindt. NWO stelt nadrukkelijk dat het een OIO verboden is het proefschrift af te ronden zodra zij of hij ontvanger wordt van wachtgeld en zolang van deze regeling gebruik wordt gemaakt. Ik ken weinig voorbeelden van structurele investeringsprojecten die zo drastisch kunnen worden stopgezet. De conclusie luidt dus in dit geval dat staatsbemoeienis leidt tot geldverspilling.

De oplossing is eenvoudig. Laat het in evenwicht brengen van de vraag naar en het aanbod van promotieonderzoek over aan de werking van de markt. Tegelijkertijd levert dit het antwoord op de tweede vraag: of een AIO in dienst moet zijn van een universiteit. Laten we de drie verschillende werkzaamheden van promovendi onder de loep nemen: het volgen van onderwijs, het geven van onderwijs en het doen van onderzoek.

Het volgen van onderwijs kan goed worden beschreven aan de hand van een systeem dat landelijk als toonaangevend wordt gezien: het landelijk netwerk voor algemene en kwantitatieve economie (NAKE), waar cursussen voor promovendi aan economische faculteiten worden verzorgd. Halfjaarlijks worden drie buitenlandse gastdocenten uitgenodigd om een reeks van vijf lezingen te verzorgen. Deze jamborees duren een week en deelname is voor alle AIO's en OIO's gratis. De gasthoogleraren krijgen een vergoeding van circa tienduizend gulden. De jamborees zijn al sinds december 1986 een groot succes. Het is nooit moeilijk gebleken om uitstekende gastdocenten te krijgen en de informatieoverdracht is uiterst efficiënt. In één week worden zij op de hoogte gebracht van de huidige stand van kennis over drie verschillende onderwerpen. Een ander onderdeel van het onderwijsprogramma vormen de cursussen die door Nederlandse universitaire docenten, hoofddocenten of hoogleraren, die als 'fellow' zijn verbonden aan het NAKE, worden aangeboden. In zes- of twaalfwekelijkse bijeenkomsten van twee uur onderwijzen zij hun specialiteit aan AIO's en OIO's. Voor andere binnenlandse docenten is er echter geen enkele reden om cursussen te verzorgen. Het wordt niet erkend als onderwijsprestatie door de eigen faculteit, het vergt tijd ten koste van onderzoekstijd en het wordt ook niet geldelijk beloond. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de twee door de KNAW goedgekeurde onderzoekscholen verbonden aan economische faculteiten inmiddels hun eigen AIO-onderwijsprogramma zijn gestart. Bezien vanuit de overheid is deze ontwikkeling wederom inefficiënt.

Indien promovendi zouden betalen voor cursussen die zij belangrijk vinden, ontstaat er een onderwijsmarktmechanisme dat leidt tot een optimaal resultaat. De docenten kunnen worden gecompenseerd uit deze onderwijsgelden en promovendi krijgen de cursussen die zij willen van de docenten die zijzelf het meest geschikt achten. Er is nog maar één landelijke doctoraatschool noodzakelijk, terwijl de kosten voor de overheid nihil zijn.

Het onderwijs door AIO's moet natuurlijk betaald worden door de onderwijsinstelling. Laten we uitgaan van de situatie dat universiteiten geen AIO's meer op de loonlijst hebben staan. Dat zorgt voor voldoende financiële middelen om doctoraatstudenten die willen lesgeven loon naar werk te betalen. Dit heeft een aantal voordelen. Promovendi kunnen zelf bepalen hoeveel onderwijs voor welke vakgroep zij willen geven. Dat lost direct een bestaand probleem op van de onevenredige onderwijsbelasting voor AIO's en OIO's van verschillende vakgroepen. Tevens wordt aan promovendi een mogelijkheid geboden om uit deze verdiensten de cursusgelden voor het landelijk netwerk te bekostigen.

Onderzoek verricht door promovendi kan worden gezien als wetenschappelijke produktiviteit die ten goede komt aan de faculteit, die daar dan ook een vergoeding tegenover stelt, of als leerproces waarvoor promovendi zelf de gewenste begeleiding betalen. Als de onderzoeksresultaten van een promovendus bijdragen aan de produktiviteit van een faculteit, kan die faculteit uit de middelen die zijn vrijgekomen door de afschaffing van AIO-salarissen een onderzoeksbeurs beschikbaar stellen. In het nogal extreme geval dat promotieonderzoek louter als leerproces en persoonsgebonden investering in eigen menselijk kapitaal wordt aangemerkt, dient de promovendus zelf de gewenste begeleiding te betalen - of kan het bedrijfsleven hierin een interessante investeringsmogelijkheid zien. Voorstelbaar is dat onderzoek waarvoor een voldoende maatschappelijk draagvlak bestaat maar waarvoor een direct meetbare marktwerking ontbreekt - bijvoorbeeld onderzoek naar het Oud-Keltisch - kan worden ondersteund door de overheid. Door middel van een stelstel waarin door NWO beurzen worden toegewezen aan goed functionerende vakgroepen kan het voortbestaan van dergelijk promotieonderzoek worden gegarandeerd. Wel wordt duidelijk dat de onderzoeksduur een uitkomst is van een onderlinge overeenkomst tussen promovendus en begeleider. In het geval van een beurssubsidie kan NWO meehelpen telkens de maatschappelijke relevantie te toetsen.

Tenslotte is er de vraag of het niet beter is wanneer AIO'S en OIO's zelf onderzoeksvoorstellen initiëren. Een voordeel is dat de promovendus dan ook de begeleider kiest. Hierdoor wordt de regulering van de tweede geldstroom door NWO overbodig en zullen doctoraatstudenten nog meer gemotiveerd zijn. Tegelijkertijd ontstaat een gezonde competitie onder hoogleraren voor het verkrijgen van de beste promovendi.

Dit systeem wordt al jaren met veel succes toegepast op de top-universiteiten in de Verenigde Staten. De professoren van de Economics Department en de Graduate School of Business van de University of Chicago hebben een ruim aanbod van promovendi waaruit zij alleen de besten selecteren. Het kan geen toeval zijn dat de afgelopen vier jaar de Nobel-prijs voor economie juist door Chicago hoogleraren is gewonnen.