Het hoort in het honderd te lopen; Geert van der Kolk over mislukkende mensen

Geert van der Kolk: De lachende hond. Uitg. L.J. Veen, 158 blz. Prijs ƒ 24,90.

In de boeken van Geert van der Kolk is Nederland doorgaans ver weg. De auteur kiest voor plekken op aarde - Midden- en Noord-Amerika, het voormalige Oostbok - waar iets gebeurt. Vaak is er een oorlog gaande; soms zoals in de roman Käte Jahn, is de achtergrond een wankelend imperium. Hoewel het steeds plekken zijn waar de auteur ook als journalist heeft gewerkt, zijn z'n boeken meer fictie dan documentaire. De landen hebben dezelfde functie als de sjofele hotels, treurige drankholen en sleetse bordeelkamers waarvan de verhalen en romans zijn vergeven. Ook deze tijdelijke pleisterplaatsen ('alleen geschikt voor liefde of wanhoop') zijn decorstukken; geschikte entourages voor mislukkende mensen.

De vraag wat een tragedie is, is allang beantwoord. Maar veel Van der Kolk-personages weten dat niet. Ze stellen de vraag alsof ze de eersten zijn. In zijn roman Klein Amerika noteert een journalist: “Vandaag greep een ernstige tragedie plaats op de dijk.” Zuigend op z'n potlood vraagt hij zich af wat die gemeenplaats eigenlijk betekent. “Tragedie, dacht hij. Als 't verkeerd uitpakt, terwijl het goed bedoeld was - da's eigenlijk een tragedie.”

Dat is bij Van der Kolk het lot van veel mensen en Nederland heeft het geschikte decor blijkbaar niet te bieden. Nederland is een soort Utrecht CS, zoals beschreven in De lachende hond: “Een goede plek om te verlaten.”

Ook in de nieuwe roman komt de tragedie-vraag weer aan de orde. Waarom is Jan van Schaffelaar een held en zijn Bonifacius en Willem van Oranje dat niet? Omdat je in een echte tragedie meer moet doen dan dan 'spectaculair doodgaan'. “Je moet de goden tergen.” In dat licht was Bonifacius gewoon een 'pechvogel'. “Sjokte het verkeerde Friezendorp binnen.” En voor Oranje geldt: “Risico van z'n vak. Als je om politieke redenen vermoord wordt, ben je niet ineens met terugwerkende kracht een held.”

De man die deze half spottende, half ernstig bedoelde uitspraken doet heet Hugo Werkema. Hij is de man om wie alles draait in De lachende hond en de vraag of Werkema zelf een held of een pechvogel is, loopt als een rode draad door het boek. Werkema is dan ook een dode hoofdpersoon; eentje die net als Van Schaffelaar, Bonifacius en Van Oranje door anderen wordt herinnerd.

Potscherven

De verteller van de roman, de onthechte archeoloog Charles Ruppert, graaft in Mexico plichtmatig 'potscherven, as en beroet puin' op, als hij bij toeval hoort dat zijn jeugdvriend Werkema tien jaar eerder in El Salvador is gestorven. Langzaam maar zeker reconstrueert hij hun studietijd in Utrecht en Werkema's levensverhaal. Utrecht staat voor een periode van verwachting en energie: “We waren in die tijd nooit moe.” Maar Nederland was te klein om die drang naar leven met een hoofdletter aan te kunnen - een drang die het sterkst in Werkema leeft. Hij is - en zal dat bljven - een would be schrijver die door naar zijn credo 'Eerst leven, dan schrijven' te leven, de dood vindt. Zonder aan schrijven echt te zijn toegekomen.

Ruppert, die in tegenstelling tot Werkema 'niet in essenties gelooft', is tot in zijn vezels een toeschouwer. Hij beschrijft Werkema's levensverhaal in soms sardonische bewoordingen. Bij een van hun laatste ontmoetingen - op een luizige hotelkamer in Parijs - blijkt Werkema's leven dramatisch te zijn ontspoord. Rupperts laconieke commentaar luidt: “Wel, wel, dacht ik, het hoort dus kennelijk allemaal in het honderd te lopen.”

Daarmee zijn we bij Van der Kolk, die zoon van W.F. Hermans, weer op vertrouwd terrein. Ook verder is er weinig nieuws onder de zon: een Middenamerikaans land vol wapengekletter, opgejaagde mensen en onherbergzame verblijfplaatsen op tal van continenten. Toch is de roman geen herhalingsoefening. Van der Kolk heeft zijn vaste thema en ingrediënten verwerkt in een verhaal dat wat wranger is, en daardoor minder vrijblijvend, dan veel van zijn voorgaande boeken.

Met name het belangrijkste nevenverhaal in de roman is in dat opzicht sterk: de geschiedenis van Hugo Werkema en zijn geliefde Janna. Beiden grijpen hoog en vallen diep - om eenzamer te eindigen dan ze voordien waren. Geen nieuw verhaal, maar Van der Kolk heeft het op een mooie, onontkoombare manier vorm gegeven, met een hoofdrol voor de koele blik van Ruppert.

Terugblikkend op zijn eigen liefdesleven constateert hij: “We waren doodsbang om onszelf te verliezen en door de liefde veranderd te worden. In ons hart wisten we dit heel goed en daarom bedreven we de liefde vaak met nauwelijks onderdrukte walging.” De liefde van Werkema en Janna is de uitzondering - en die ontwikkelt zich als een tragedie.

Toch is er iets dat Van der Kolk (opnieuw) tot een 'eeuwige belofte' maakt. Hij bedrijft soms te nadrukkelijk literatuur.

Werkema is van meet af aan duidelijk een gedoemde, opgejaagde figuur. Hij heeft, om de hoofdpersoon van Robert Johnsons beroemde lied te citeren, 'A hellhound on my trail'. Maar Van der Kolk was het blijkbaar niet duidelijk genoeg. Wat tussen de regels door al voelbaar was, moest expliciet gemaakt worden: in de laatste hoofdstukken laat hij daarom - helaas - te pas en te onpas een kudde Cerberussen over de bladzijden draven.