Fini is niet zo erg als Berlusconi

Iedere opleving van fascisme kan niet hard genoeg worden bestreden, maar de kritiek op de aanwezigheid in het Italiaanse kabinet van vijf leden van de Nationale Alliantie, erfgenaam van de neofascistische Italiaanse Sociale Beweging, is vaak oppervlakkig en voorbarig, soms zelfs malicieus. Keer op keer leggen Italiaanse voor- en tegenstanders van de Nationale Alliantie uit dat de zwarthemden niet terugkomen in hun land. Italië is geen fascistisch land aan het worden. Partijleider Gianfranco Fini roept dat “vrijheid, democratie, sociale rechtvaardigheid en verdraagzaamheid” zijn vier essentiële waarden zijn. De linkse vakbondsleider Bruno Trentin zegt dat de neo-fascisten in het kabinet meer een zorg van het buitenland zijn dan van Italië.

Het lijkt aan dovemansoren gericht. De Belgische vice-premier Elio Di Rupo, zoon van een Italiaanse immigrant die in de mijnen bij Charleroi is gaan werken, weigert zijn collega Tatarella de hand te drukken. De Griekse premier Andreas Papandreou vindt het “alarmerend voor heel Europa”. Vijf Deense sociaal-democraten hebben opgeroepen tot een boycot van pasta en Chianti. Noorwegen wil eerst het politieke strafblad van de vijf ministers onderzoeken voordat er sprake kan zijn van officiële contacten. De Duitse schrijver Hans Mayer zegt een lezing op het Goethe-instituut in Rome af omdat hij niet naar een land wil met “fascisten in de regering”. Jacques Delors, de vertrekkende voorzitter van de Europese commissie die een rentrée in de Franse politiek voorbereidt, geeft lucht aan de “woede in zijn hart”.

Deels is dit verkiezingskoorts. Fini heeft voorspeld dat de storm zal gaan liggen na de Europese verkiezingen. Massimo Cacciari, de rebelse filosoof-burgemeester van Venetië, houdt zijn linkse kameraden voor dat ze hun energie beter moeten besteden dan aan de strijd tegen een niet-bestaande vijand. Maar in heel Europa grijpt links de groei van de Nationale Alliantie aan om zichzelf met een duidelijk no pasarán te profileren.

Daarbij gaat de nuance verder verloren dan toelaatbaar is in een campagne. Vergeten wordt dat de vijf ministers van de Nationale Alliantie behoren tot de gematigde vleugel, dat twee van hen nooit lid zijn geweest van de neofascistische Sociale Beweging, en dat er nog twintig andere ministers in het kabinet zitten. Vergeten wordt dat het nazisme van Adolf Hitler en het fascisme van Benito Mussolini niet hetzelfde zijn geweest. Vergeten wordt dat het succes van de Nationale Alliantie stoelt op de strijd tegen het oude politieke bestel, op het feit dat de neofascisten nooit deel hebben gehad aan de uitwassen van corruptie en mafia - daarom was ook de in 1992 vermoorde mafiabestrijder Paolo Borsellino aanhanger van de neofascisten. Vergeten wordt dat de nieuwe kiesregels dwingen tot de vorming van brede allianties: zoals de Nationale Alliantie is aangeschoven bij rechts, zo hebben de communistische hardliners, die geld ophalen voor Fidel Castro en in applaus uitbarsten voor de nagedachtenis van Lenin, zich aangesloten bij links.

Dat zou allemaal minder belangrijk zijn als de leden van de Nationale Alliantie inderdaad zo fascistisch waren als ze worden afgeschilderd. Maar de claim dat de partij post-fascistisch is, is helemaal niet ongeloofwaardig. In de berichtgeving zijn regelmatig uitspraken in die richting opgeofferd aan een lekker griezelverhaal. Grijze koppen trekken minder. Via een malicieuze vertaling wordt premier Berlusconi een positief oordeel over Mussolini in de mond gelegd, die nog dagen na de aantoonbare onjuistheid wordt becommentarieerd. De Herald Tribune presteerde het zelfs om de krant te openen met het bericht dat de Nationale Alliantie het verbod op heroprichting van de fascistische partij wilde intrekken, terwijl dat nieuws nog geen uur heeft standgehouden in Italië en al ruim voor het zakken van die krant bekend was.

Fini die roept dat het oordeel over Mussolini vóór de rassenwetten van 1938 alles bij elkaar positief is, heeft veel kranten gehaald. Terecht. Maar andere uitspraken zijn uit het nieuws gebleven. Zijn steun voor het uitleveringsverzoek aan Argentinië van de voormalige SS-er Priebke. Zijn verwijzing naar “massamoorden door de zwarthemden” en zijn opmerking dat “het antifascisme essentieel is geweest om de democratie te bereiken” in Italië. Zijn aankondiging dat hij in het Europese parlement niet zal samenwerken met de “extremisten” van het Front National van Le Pen en de Duitse Republikaner. Zijn besluit om een tiental jongeren die hebben meegelopen met een betoging van neonazi's, uit de partij te zetten.

Dat is voldoende om hem niet bij voorbaat te veroordelen, al is is het onvoldoende om de Nationale Alliantie niet meer uiterst waakzaam te volgen. In zijn streven van de Nationale Alliantie een gewone rechtse partij te maken, is Fini nog maar halverwege. Hij heeft het fascisme een historisch afgesloten periode genoemd, maar het wachten is nog op een harde veroordeling van de misdaden van het fascistische bewind. Het wachten is ook op de vruchten van de reorganisatie binnen de partij. Pas als de hardliners die nu nog in het parlement en in gemeenteraden de Nationale Alliantie vertegenwoordigen, op een zijspoor zijn gezet, kan Fini echt claimen post-fascistisch te zijn.

De Italianen willen geen revival van het fascisme. Daarom is de pragmatische wait and see-benadering van Clinton op zijn bezoek begin deze maand te prefereren boven de kritiek-bij-voorbaat uit sommige Europese landen.

Wie wat nuchterder naar Fini en consorten kijkt, kan bovendien meer oog krijgen voor iets wat veel bedreigender is voor de Italiaanse democratie dan de opkomst van de Nationale Alliantie: de nonchalance waarmee premier Silvio Berlusconi reageert op kritiek dat in een democratie geen plaats is voor verstrengeling van politieke, economische en mediamacht. Nergens in Europa bestaat een dergelijke bundeling van macht. Wie oproept tot waakzaamheid, moet meer op Berlusconi letten dan op Fini.