Expositie over trollen, gnomen, kobolden, aardmannetjes en andere kabouters; Het jongste tovervolk

Dat hebben de kaboutertjes gedaan - De kabouter in de Nederlandse literatuur. Letterkundig Museum, Prinses Irenepad 10, Den Haag. T/m 30 okt. Di t/m za 10-17u, zo 13-17u.

Gelukkig maar dat Sneeuwwitje bijna werd vermoord. Had haar boze stiefmoeder haar niet met de jager het bos ingestuurd, dan hadden wij nooit de kabouters gekend. Want stel je voor: tot zo'n honderdvijftig jaar geleden had niemand ze in de gaten. Er werden wel verhalen verteld waarin kleine mannetjes voorkwamen, figuren die af en toe de mensen en de dieren kwamen helpen of juist verschrikkelijk dwarszitten. Maar geen mens had begrepen dat die bij elkaar gerekend moesten worden. Trol, werden ze genoemd, kobold, gnoom of aardmannetje. Pas toen in de vorige eeuw iedereen het sprookje van Sneeuwwitje en haar zeven dwergen ging lezen en doorvertellen, werd eindelijk duidelijk hoe het in elkaar zat: naast de elfjes, de feeën, de heksen en de tovenaars was er nóg een tovervolk. Zo kwamen de kabouters op de wereld.

Bestaan kabouters? Ik heb geen idee. Ze zijn er in elk geval wel, in boeken en in films. En in het Letterkundig Museum in Den Haag. Want daar kun je er nu en in de komende maanden een heleboel bij elkaar vinden. Kabouters zitten verstopt in de letters van boeken, daarom valt er daar veel te lezen en voor te lezen. Er hangen en liggen bladzijden uit de boeken die over kabouters zijn geschreven. Uit Nachtverhaal van Paul Biegel bijvoorbeeld, waarin een zorgzame huiskabouter een fee ontvangt in het oude poppenhuis dat hij bewoont. Zij vertelt hem verhalen, heel erge, heel mooie, en daardoor vergeet hij steeds weer zijn avondronde te doen om te kijken of alles wel in orde is. De mooiste illustratie uit Nachtverhaal ligt er ook (de kabouter speelt een spelletje kaart met de fee en met Rat en Pad) en verder komen we te weten dat Paul Biegel niet met een tekstverwerker zijn verhalen schrijft maar met pen en inkt en met veel doorkrassen.

Wie dacht dat alle kabouters altijd een rode puntmuts en een witte baard hebben, vergist zich. In een van de vitrines liggen tekeningen van Wiplala, de kabouter van Annie M.G. Schmidt: hij heeft kort borstelhaar, is gladgeschoren en draagt een blazer en een gebreide das.

Hoe groot zijn kabouters eigenlijk? Vijftien centimeter, beweert de tekenaar Rien Poortvliet eigenwijs. Maar ook al bedacht hij David, hij weet er niks van. Kabouters en dwergen zijn er in alle soorten en maten. Er zijn er die zo petieterig zijn dat ze kunnen reizen op een slak of een vlinder. Paulus, de boskabouter van wie zulke prachtige schilderijen werden gemaakt door Jean Dulieu en die de belangrijkste kabouters op de wereld is, is kleiner dan de uil Oehoeboeroe. Piggelmee, de koffiekabouter van het tovervisje, is een stuk groter. In het Letterkundig museum hangt tenminste een ouderwetse reclameplaat met Piggelmee en een thee drinkende mevrouw: zo te zien is hij wel een meter hoog. Dat kun je trouwens ook afleiden uit het Piggelmee-theeserviesje, dat waarschijnlijk ooit werd gebruikt door zijn vrouwtje Tureluur. Hoe hij dan in de Keulse pot past, kan me niet schelen.

Op de kaboutertentoonstelling staat ook een kabouterhuisje. Een hutje met krukjes (rood met witte stippen) en een lampje. Kinderen kunnen er in kruipen en spelen, of gaan zitten lezen. Wie daar geen zin in heeft, kan altijd nog wat sjouwen met de tuinkabouters die er ook staan.