Een mens is geen makreel

Eind oktober 1993 belde mijn uitgever Vic van de Reijt mij op. Hij zei, “mij werd gevraagd of er nog joden in ons fonds zitten. Ik antwoordde dat ik die vraag al vijftig jaar niet meer heb gehoord, maar uiteindelijk heb ik jou toch maar opgegeven, is dat goed?”

“Ja,” zei ik, “dat is goed.”

Een paar dagen later kreeg ik een brief van Jessica Durlacher of ik mee wilde doen aan de bundel De olifant & het joodse probleem.

Dat wilde ik wel doen. Voor ƒ 750,- had ik waarschijnlijk ook een verhaal ingeleverd voor een bloemlezing over het Sauerland.

Elke vraag naar identiteit is een absurde vraag. Net als de vraag waarom je met deze vrouw bent en niet met een ander, of de vraag waarom X moest overleven en Y niet. Welke antwoorden je op die vragen ook kunt geven, ik geloof dat je hoe dan ook recht moet doen aan de absurditeit van de vraag.

Dat wat joods is aan mij (en God mag weten wat dat is) spreekt al. Het spreekt wanneer ik spreek. Of ik wil of niet. Ik hoef het niet nog eens extra stem te geven. En ik heb ook niet de behoefte er een microfoon onder te hangen, zodat het nog wat luider kan klinken. Zoals ik ook niet de behoefte voel te bewijzen dat ik joods ben.

De Goden zijn nu eenmaal iets machtiger dan mensen. Als je zelf zou kunnen bepalen of je joods bent of niet zou de geschiedenis er net iets anders uit hebben gezien. Alleen al dit zou een reden kunnen zijn voor de houding die Reinjan Mulder in zijn recensie van De Olifant & het joodse probleem (CS Literair 3 juni) laconiek noemt.

Recentelijk werd mij gevraagd, “als u had kunnen kiezen, had u dan joods willen zijn?” Over absurde vragen gesproken. Ik antwoordde, na enige aarzeling, “ik had liever helemaal niet geboren willen worden, als ik had kunnen kiezen.” De vragensteller zei toen, “dat is nou een typisch joods antwoord.”

Van alle gevechten die hopeloos zijn op deze wereld, is het gevecht om het beeld dat de ander van jou heeft bij te sturen wel het meest hopeloos. In Blauwe Maandagen schreef ik: 'We bevolken elkaars nachtmerries zonder precies te weten wat we daarin uitvoeren.' Reinjan Mulder schreef vorige week: 'Wie en wat je ouders zijn, kun je toeval noemen - wat dat voor gevolgen voor je heeft, is dat niet.'

Waarschijnlijk is dat inderdaad geen toeval, wat het dan wel is weet ik ook niet. Maar dat je die gevolgen zou kunnen kennen lijkt me hoogmoedig. En doet mij denken aan de dooddoener, 'zo ben ik nu eenmaal'.

Je kan je straffeloos een identiteit aanmeten, je kan ook straffeloos een identiteit aangemeten krijgen. Je kan je dan ook niet laten voorstaan op wie je bent, op wie je wil zijn, of op wat anderen denken wie jij bent. Hooguit op wat je doet en op wat je zegt en op wat je nalaat te doen en op wat je nalaat te zeggen.

Het leven lijkt mij stukken minder draaglijk als je niet meer laconiek zou kunnen zijn over datgene wat van je gemaakt is, en dat wat je van jezelf hebt gemaakt. (En je kunt niet zeggen welk gedeelte je zelf hebt gemaakt, en welk gedeelte die anderen, want je bent geen makreel die je kunt fileren.)

Wanneer ik lees dat andere oudere schrijvers hebben ervaren dat hun laconieke houding wel overgaat, en dat mijn laconieke houding waarschijnlijk ook wel zal overgaan, dan voelt het een beetje alsof iemand tegen mij had gezegd, 'ach jongen, je hoeft er niets voor te doen, een lul word je toch wel.'