De opkomst en ondergang van een fiscale 'wonderboy'

De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs hield vandaag een congres over beroepsmoraal en criminaliteitspreventie. De adviseurs opereren vaak op het scherpst van de snede bij het verzinnen van constructies om geld buiten bereik van de fiscus te houden. Sommigen overschrijden daarbij de grens van de legaliteit. Zoals Rob B., verdacht van betrokkenheid bij een hasjbende. Opkomst en ondergang van een fiscale 'wonderboy'.

Belastingadviseur Rob B. (45) was zelden te vinden op het kantoor van accountantsfirma Deloitte & Touche in Alkmaar, voorheen Sneep, Begeyn en Meele. Meestal zat hij in de auto, onderweg van de ene klant naar de andere, en hield kantoor achter het stuur. Cliënten die belden naar het Alkmaarse kantoor werden vaak onmiddellijk doorverbonden met de autotelefoon van Rob B. Tijdens het autoritje verzon hij vaak al een oplossing voor de bellende klant en aangekomen bij zijn reisdoel faxte hij die meteen door naar de thuisbasis in Alkmaar.

Rob B. was de 'client-getter' van zijn Alkmaarse kantoor, waar hij sinds 1984 werkte en sinds als vennoot 1987 een groep medewerkers onder zich had. De vestiging van Deloitte & Touche had een groot deel van de omzet te danken aan Rob B., die gold als een fiscale 'wonderboy'. Zijn kennis van het belastingrecht was fenomenaal en alle jurisprudentie kende hij uit het hoofd. Oplossingen voor fiscale problemen verzon hij razendsnel en in een mum van tijd tekende hij de soms gewaagde fiscale constructies uit op een papiertje. In de hoogtijdagen van de Nederlandse economie verdiende Rob B. 800.000 tot 900.000 gulden per jaar.

Tegen het einde van de jaren tachtig kwam de klad in de grote omzetten van fiscale juristen, vooral doordat klanten in de teruglopende economie meer op de declaraties gingen letten. Door de moordende concurrentie met andere fiscale kantoren liep ook het inkomen van Rob B. fors terug, tot 400.000 à 500.000 gulden. De belastingadviseur was daarover ontevreden en wilde meer hebben van zijn werkgever. Toen de maatschap dat weigerde, besloot Rob B. te vertrekken om een eigen praktijk te beginnen op Curaçao. Vorig jaar december onderhandelde hij nog met Deloitte & Touche over een goede uitkooppremie voor de opgebouwde goodwill.

In de jaren dat het wat minder ging, raakte Rob B. verzeild in een schemergebied tussen wat nog net wettelijk is toegestaan en wat verboden is. Volgens de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs is de taak van een fiscalist “het verlenen van rechtshulp aan belastingplichtigen teneinde te bereiken dat dezen niet méér belastingen afdragen dan waartoe zij rechtens verplicht zijn”. Rob B. begon met het op bestelling leveren van advocaten, brievenbusmaatschappijen, 'witte' herkomsten voor zwart geld, methoden om panden uit handen van justitie te houden en bemiddeling bij vastgoedtransacties tussen zakenlieden met een dubieuze achtergrond. Rob B. kwam daarmee op een pad dat uiteindelijk zou leiden tot rechtstreekse medeplichtigheid aan criminele activiteiten.

Onder de klanten van Rob B. verschenen figuren voor wie Justitie toen al veel belangstelling had. Reder Leo T. bijvoorbeeld, die net als Rob B. in het Noordhollandse Bergen woonde. Maar eigen zeggen had hij sinds 1986 contact met Leo T., onder meer doordat hun echtgenotes elkaar kennen. Een andere cliënt van Rob B. was de rijst- en houthandelaar Shyam G., één van de rijkste mannen van Suriname en eigenaar van vele bedrijfjes.

Rob B. speelde voor kassier voor beide klanten, die ongebruikelijk grote contante bedragen wisselden. In 1990 kocht Shyam G. een silo in Burgerveen voor een van zijn rijstbedrijven. De benodigde 93.000 gulden kreeg Shyam G. in ruil voor een vergelijkbaar bedrag in dollars van Leo T., die het geld contant bezorgde bij zijn fiscalist. Rob B. liet, zo blijkt uit justitiële verhoren, het bedrag “ten behoeve van de aankoop door het bedrijf van G. over de zakelijke bankrekening van Deloitte & Touche overschrijven naar de genoemde notaris.” Rob B. verklaarde hierover: “De bedoeling was (...) dat er over en weer geen bank- en wisselkosten gemaakt hoefden te worden.”

Reder Leo T. deed in 1990 een beroep op zijn goede kennis Rob B., omdat hij behoefte had aan een rederij die niet te veel in de gaten zou lopen en ook moeilijk te controleren zou zijn. Met de schepen wilde Leo T. hasj vervoeren vanuit Pakistan naar Canada en de Verenigde Staten. Rob B. verklaarde later daarvan nooit te hebben geweten.

Rob B. - als fiscalist vertrouwd met wereldwijde routes langs belastingparadijzen - adviseerde niet alleen tot oprichting van een bedrijf naar Antilliaans recht maar hielp daarbij ook persoonlijk. European Marine Transporters (EMT) zag het licht op Curaçao en Rob B. vloog naar het eiland om onder meer een bankrekening te verzorgen. “Voor zover ik mij kan herinneren ben ik ten minste twee keer met T. naar de Antillen geweest, een keer om handtekeningenkaarten bij ABN in te vullen, een keer om de jaarrekening EMT met een accountant op Curaçao te bespreken.”, verklaarde Rob B. zelf.

Het hoofdkantoor van EMT, dat enkele boten in beheer had, werd gevestigd in Alkmaar. Rijsthandelaar Shyam G. werd op advies van Rob B. de formele eigenaar van EMT, omdat die aannemelijk kon maken dat hij de schepen nodig had voor het transport van rijst en hout. Volgens B. schakelde hij bij de oprichting van vennootschappen op de Antillen vaker de hulp in van Shyam G.

Waarvoor de dekmantel nodig was bleek halverwege 1991. In Canada werden enkele ladingen hasj gevonden in het schip Pacific Tide 3 en de duwbak Giant 4, beide eigendom van EMT. Op de avond van 25 juli Leo T. vanuit Portugal Rob B. met de mededeling dat een door EMT gecharterd schip in Canada aan de ketting was gelegd. T. vroeg hem of hij een advocaat in Canada kende. De volgende ochtend schakelde Boon het plaatselijke kantoor van Deloitte & Touche in Canada in.

Leo T. raakte in 1992 steeds meer in de problemen door de onderschepping van diens hasjschip in Canada. In april werd niet alleen huiszoeking gedaan bij zijn onderneming EMT, maar ook bij Shyam G. en Leo T. zelf. De vrees bestond dat zijn huis door de fiscus in beslag zou worden genomen. Op een bijeenkomst in Bergen met Rob B. werd een constructie verzonnen waarbij Leo T. zijn huis verkoopt en het terughuurt van de nieuwe eigenaar. Het huis werd snel verkocht aan de assurantie-adviseur van T., die een deel van de koopsom overmaakte naar zijn niet-ingezetene-rekening bij een bank in Veenendaal. Daar werd het bedrag contant uitbetaald aan Leo T., die het overboekte naar Zwitserland.

Enkele weken geleden is Leo T. tot gevangenisstraf veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij een hasjtransport. Rob B. bezocht T. verscheidene keren in de gevangenis nadat deze in 1993 was gearresteerd. Ook Shyam G. is de afgelopen jaren door Justitie in de gaten gehouden op verdenking van drugshandel. Vorig jaar werd hij door de politie weken vastgehouden op verdenking van valsheid in geschrifte, maar vrijgelaten na betaling van een borgsom.

De ondergang van Rob B. zelf werd ingeluid met een affaire die begon in het voorjaar van 1991. In maart van dat jaar had hij in het Crest hotel in Amsterdam een ontmoeting met Ron G., een voormalig bordeelhouder. B. beweerde dat hij toen nog wist dat Ron G. banden had met de hasjbende van onder meer Leo T. Uit gesprekken in 1992 en 1993 “kwam naar voren dat Ron G. (...) zeer serieus genomen diende te worden, waaruit ik begreep dat er sprake was van een mogelijk criminele achtergrond en handel in hasj”.

Bij de bijeenkomst in het Crest waren ook vastgoedhandelaar Onnie K. en advocaat Bob van der G., de raadsman van Ron G. “In het voorjaar 1991 werd door een toenmalige cliënt van mij, de heer Onnie K., aan mij geïntroduceerd de heer Ron G.”, zei Rob B. later. In Zwitserland stond op een bank 17,5 miljoen gulden van een groep 'zakenlieden' rondom Ron G., waarop de Zwitserse autoriteiten beslag hadden gelegd. Ron G. wilde een procedure beginnen om dat beslag op te heffen, maar kon dat om 'fiscale redenen' niet zomaar doen. Eerst moest het geld een 'witte herkomst' krijgen. Aan Rob B. het verzoek om daarop iets te verzinnen. Rob B. zei daarover: “Mij werd gevraagd of ik een mogelijkheid zag om een zodanige constructie te bedenken dat aannemelijk gemaakt kon worden dat er 'witte' bron van inkomsten achter deze gelden schuil kon gaan.”

Rob B., die zich volgens getuigen heel gretig toonde, zag al snel enkele oplossingen, die Bob van der G. in zijn aantekeningen vastlegde. De fiscalist besefte dat hij hiermee van het rechte pad afweek. “Tijdens deze bespreking was een ieder zich ervan bewust dat gezocht werd naar een oplossing (...) die de waarheid geweld aan zou doen”, zei hij. Hij herhaalde later: “Een ieder was zich ervan bewust dat deze handelswijze bezijden de waarheid zou zijn.” Volgens Rob B. zouden hij en Shyam G. 5 procent van het totale bedrag in Zwitserland krijgen, wanneer de operatie een succes zou zou worden: “De toezegging van Ron G. was bedoeld voor (Shyam) G. en mijzelf.”

Bij een latere bijeenkomst koos Rob B. ervoor zijn vriend en cliënt Shyam G. in te schakelen: “Ik ben uiteindelijk aangekomen met de heer Shyam G.” Deze kon zich “in zijn hoedanigheid van internationaal opererend zakenman” makkelijk opwerpen als rechtmatige eigenaar van het geld. Bij enkele van diens bedrijven konden de bedragen makkelijk een herkomst krijgen. In een brief aan Shyam G. van 27 mei 1991 vroeg Rob B. of bedragen “ingepast” konden worden in diens administratie. Toen dat geen probleem bleek, overhandigde Ron G. tijdens een bijeenkomst dagafschriften aan Rob B. die ze vervolgens doorgaf aan Shyam G. zodat “hij deze gegevens in zijn administratie kon opnemen”. Ook zocht B. via de vestiging van Deloitte & Touche in Zwitserland een advocaat om de juridische procedures daar te beginnen.

Dit voorjaar werd Rob B. gearresteerd op verdenking van lidmaatschap van een criminele organisatie en valsheid in geschrifte. Na in acht verhoren om de zaken te hebben heengedraaid, sloeg hij op 11 maart 1994 door en kwam met een volledig herziene verklaring. Kort na zijn arrestatie werd Rob B. uit de maatschap gezet voor overtreding van interne regels.