De herinnering aan Oradour

Nog maar net terug van het Normandische strand herdenkt president François Mitterrand vandaag de doden van Oradour-sur-Glane. Vier dagen na D-day, zaterdag 10 juni 1944, werd dit dorp in de Limousin in Zuidwest-Frankrijk door SS'ers vrijwel geheel uitgemoord en platgebrand. In totaal vielen er 642 slachtoffers, 445 vrouwen en kinderen en 197 mannen. Slechts vijf mannen en één vrouw overleefden de slachting.

Marcel Darthout (70) is een van die vijf mannen. Sinds een paar jaar is hij voorzitter van de Association des Familles des Martyrs, want wat er gebeurd is mag niemand ooit vergeten. “In ons dorp was tot die dag geen Duitser geweest. Het was warm, iedereen had net gegeten. We werden uit onze huizen gehaald en samengedreven op het dorpsplein, moeders met kinderen, bejaarden die uit bed waren gehaald. De bakker stond daar in de zon met ontbloot bovenlijf, nog helemaal wit van het meel. Toch waren we niet bang, vier dagen na de landing van de geallieerden. Een controle van papieren, dat was alles. Slechts een paar inwoners hadden zich verstopt, zoals Desourteaux de garagehouder die als krijgsgevangene was ontsnapt, of degenen die bang waren voor de arbeidsdienst.

“Ze brachten de vrouwen en de kinderen naar de kerk, wij werden in groepen verdeeld en in schuren gestopt. Ik zat in de grootste groep van zestig man. Niemand dacht dat zij ons wilden vermoorden. Met een vriend sprak ik nog over de voetbalwedstrijd die wij de volgende dag zouden spelen. Toen hoorde ik een explosie en het schieten begon. Ik kreeg vier kogels in mijn benen en kwam onder een paar andere getroffenen terecht. Ik deed alsof ik dood was. Even later kwamen ze terug, vuurden hier en daar op wat nog bewoog en legden vervolgens hout en stro op ons. De lijken boven op mij brandden al toen ik mezelf bevrijdde. In de kerk kwamen alle vrouwen en kinderen om, op één vrouw na die door een raam wist te ontsnappen.”

Op de veelgestelde vraag waarom Oradour, een rustig dorp waar men bijna niets van de oorlog had gemerkt, werd vernietigd heeft Darthout een duidelijk antwoord. “De SS-divisie Das Reich, waar deze groep bijhoorde, was op weg naar Normandië om de invasie te stoppen. De avond van de negende juni kwam hun commandant Lammerding in Limoges aan en hoorde daar dat een van zijn officieren door de maquis gevangen was genomen. De volgende dag gaf hij Dickmann, een Sturmbannführer, opdracht deze streek een lesje te leren. Dickmann koos in overleg met enkele collaborateurs voor Oradour-sur-Glane. Van Oradour wisten zij zeker dat er geen tegenstand zou zijn, daarom kwamen ze ook zonder tanks en alleen met lichte wapens.”

Darthout vertrok na de bevrijding naar Parijs waar hij zijn brood verdiende met de handel in auto-onderdelen. De overgebleven dorpsgenoten, die zich hadden verstopt voor het bloedbad of waren teruggekomen uit krijgsgevangenschap, werden ondergebracht in barakken, vlak naast de resten van het dorp. Later werd op de plek van die barakken het nieuwe Oradour gebouwd. De straten dragen er dezelfde namen als in het oude dorp. Pas sinds kort wordt het grijs van de muren hier en daar vervangen door okertinten. Aan de lange periode van rouw denkt Robert Lapuelle, kinderarts en al meer dan veertig jaar burgemeester, niet graag terug. “Stelt u zich eens voor, een dorp zonder kinderen, zonder leven. In 1965 maakte ik hier het eerste huwelijk mee. Dat zijn gevolgen van een genocide waar men niet zo vaak bij stilstaat. Het leven in dit dorp stond in het teken van het lijden en eigenlijk symboliseerde Oradour ook nog eens het lijden van talloze onschuldige Fransen in de oorlog.”

Het oude Oradour werd tot nationaal monument verheven. De ruïnes hielpen de onplezierige herinneringen aan de collaboratie van Vichy-Frankrijk die het land zo verdeeld had, te verdringen. Frankrijk voelde zich weer één. Die eensgezindheid werd in 1953 zwaar op de proef gesteld. Dat jaar stonden in Bordeaux 21 voormalige SS'ers van Das Reich terecht. Dertien leden van deze groep bleken afkomstig uit de Elzas. Zij behoorden tot de zogeheten malgré-nous, die onder dwang dienst hadden genomen in het Duitse leger. In de Elzas werden zij evenzeer als de ongelukkigen van Oradour gezien als slachtoffers van het nazisme. De kwestie leidde tot heftige discussies, polemieken in de pers en demonstraties. Kon men hen veroordelen terwijl hun Duitse superieuren - dood of onvindbaar - buiten schot bleven? Ja, vond men in de Limousin. Nee, zei men aan de Rijn.

Uiteindelijk profiteerden de Elzassers van een haastig aangenomen amnestiewet. Het parlement wilde een einde aan de controverse maken. Oradour kreeg geen genoegdoening en werd geofferd aan de nationale eenheid. De overige verdachten, allen Duitser, zaten al vast sinds het einde van de oorlog en hadden hun straf al bijna uitgezeten. Woedend was men in het dorp. Hun beulen waren vrij. De voorganger van burgemeester Lapuelle haalde uit protest het Croix de Guerre van zijn ereplaats in het gemeentehuis. Het duurde jaren voordat de betrekkingen tussen de Franse staat en het martelaarsdorp weer normaal verliepen.

“De vijftigste herdenking is een heel bijzondere gebeurtenis, omdat nu voor het eerst ook de president en de premier er zijn”, aldus Lapuelle. “Vroeger werd de tiende juni in kleine kring herdacht, er waren zelden vertegenwoordigers van de staat. Het is heel goed dat ze komen, de herdenking in Oradour moet steeds een zo sterk mogelijke waarschuwing zijn tegen fanatisme in het algemeen, ook al hebben wij gezien Rwanda en Joegoslavië weinig reden om te denken dat de mensheid voor verbetering vatbaar is.”

En wat is de toekomst van het ruïnedorp? Zullen het kerkje en de overblijfselen van het café waar je ook geknipt kon worden, alleen nog maar nostalgie oproepen, zoals de Amerikaanse historica Sarah Farmer onlangs schreef? Niet als het aan Lapuelle ligt. “We werken met een paar vooraanstaande historici aan een documentatiecentrum. Dat is nodig omdat van de 350.000 bezoekers die jaarlijks door de straten van het monument trekken tachtig procent tussen de 25 en 45 jaar oud is. Hun kennis van de Tweede Wereldoorlog is heel gering en van Oradour weten zij niet veel meer dan dat er iets verschrikkelijks is gebeurd. Wij willen niet het risico lopen dat Oradour uiteindelijk een soort horror-attractie wordt. Die verwoeste huizen, die tramdraden die nergens meer voor dienen, dat alles moet je te denken geven.”