Toverklanken van Chinezen

Holland Festival: °Concert door Nieuw Ensemble o.l.v. Ed Spanjaard, met Shi Kelong (bariton). Werken van Wuping, Xiaoyong, Qigang, Wenjing en Dun. Gehoord: 5/6 Paradiso, Amsterdam.°Concert door Deutsche Kammerphilharmonie o.l.v. Muhai Tang, met Lan Rao (sopraan). Werken van o.a. Yi en Qigang. Gehoord: 6/6 Beurs van Berlage, Amsterdam.

“De enige betekenis van mijn muziek schuilt in mijn verlangen om elke specifieke klank, niet alleen een eigen kleur, maar ook een eigen stemming mee te geven,” Aldus de Chinese componist Chen Xiaoyong (1955), die na studies aan het Centraal Conservatorium van Peking bij Ligeti studeerde en sinds 1989 woont in Hamburg. Xiaoyong's orkestwerk Warp beleefde maandagavond een luid bejubelde première bij de Deutsche Kammerphilharmonie, ongetwijfeld een (voorlopig) hoogtepunt. Voorlopig, want zondag 12 juni is nog het derde en laatste concert in het kader van deze Chinese invasie in het Holland Festival gepland.

Alle metamorfosen, verschuivingen en overlappingen in Xiaoyong's muziek dienen een verandering teweeg te brengen in de subjectieve belevingswereld van de luisteraar, zoals ook in de Chinese taal eenzelfde lettergreep van betekenis verandert al naar gelang de wisseling in toonhoogte en klankkleur. Evenals bij de Russische in het festival van 1989 biedt deze Chinese invasie - met kamermuziek afgelopen zondag in Paradiso en muziek voor grotere ensembles maandag in de Beurs van Berlage - in de eerste plaats emotie-overdracht op basis van impulsieve reacties en interacties. Vrijwel alle Chinezen excelleren in het scheppen van een fantasievolle klankwereld, vaak nerveus geladen en overwegend buigzaam microtonaal. De meesten studeerden viool en niet zoals bij ons in het Westen piano, het fabrieksinstrument bij uitstek. Opmerkelijk in dit verband is het begin van Julian Yu's (1957) Scintillation II voor piano, twee vibrafoons, Glockenspiel en bekkens. De piano speelt lang doorklinkende tonen (een c, een bes en een e), aan het eind virtuoos omspeeld in een wervelwind aan versieringen: dat klinkt als een solo van een melodie-instrument, een fluit of een viool. En in de dramatische doorwerking vol snelle toonherhalingen lijkt het alsof alles één reusachtig slagwerkinstrument is geworden. Qen Qigang (1955) overtreft hem nog in een lome langzame sensualiteit, bijna softporno en ongetwijfeld is hij de meest sensibele klanktovenaar van al deze Chinezen. Maar evenals bij Japanners als een Takemitsu vraag je je daarbij af: wat is daar nog authentiek Chinees aan? Het verwijst eerder naar een moderne Debussy of Ravel dan naar de Chinese opera. Het herinnert aan verstilde natuurtaferelen, warm, loom, bijvoorbeeld een mosgroene vijver waarin karpers traag naar lucht happen; bij Xiaoyong denk ik meer aan wakker worden met het mes op je keel.

Bij het Nieuw Ensemble bevalt mij vooral Guo Wenjing (1956) zeer: ook al meer een ex- dan impressionist, alleen al een titel als “Hangende oude doodskisten” spreekt boekdelen. Zijn muziek wordt gekenmerkt door een gekte, en hij weet te woekeren met Chinese bekkens, waarin overigens ook Xiaoyong mee woekeren kan. De expressionistische sprongen bij Zhou Long (1953) bevielen me evenzeer, in zijn Li Sao Cantate treffen interessante details, zoals glissandi met trillers in de strijkers en mengkleuren van piccolo en marimba tegelijk.