The Economist na 150 jaar terug bij het radicaal liberale begin

The Pursuit of Reason: The Economist 1843-1993. Door Ruth Dudley Edwards. Uitg. Hamisch Hamilton, Londen,1993. ISBN 0-241-129.39-7 Prijs: 30 pond Sterling.

Een abonnement op The Economist is onmisbaar voor wie serieus geïnteresseerd is in het wereldnieuws. Dit Engelse weekblad geeft elke week een even helder als informatief overzicht van het politieke, zakelijke en financiële nieuws, waarbij het vooral excelleert in de overzichtelijke presentatie van allerlei interessante statistische gegevens. Directe concurrenten heeft The Economist niet. Het blad opereert in het niemandsland tussen gespecialiseerde publicaties voor beleggers en financiële specialisten en bekende nieuwsbladen als Time en Newsweek. In vergelijking met The Economist zijn Time en Newsweek nogal sensatiebelust en weinig gedegen. The Economist wordt niet geteisterd door de twee grootste plagen van de moderne journalistiek: het interview en de geestige en/of persoonlijke column. De schrijvers van The Economist doen hun werk anoniem, behoudens heel bepaalde uitzonderingsgevallen. Volgens de redactie voorkomt deze ouderwetse gewoonte het optreden van journalistieke prima dona's en bevordert zij de collegialiteit. De meeste artikelen zijn het werk van meerdere redacteuren of medewerkers. Algemeen wordt aangenomen dat The Economist zeer invloedrijk is, al valt met geen mogelijkheid te zeggen hoe invloedrijk. Die invloed dateert ook niet van vandaag of gisteren. Tot de invloedrijke lezers in het verleden behoorden Mussolini, Franklin Roosevelt en John Kennedy.

Vooral in de afgelopen drie decennia maakte de oplage van The Economist een ongekende expansie door. Begin jaren zestig was de oplage nog geen 70.000 exemplaren, nu meer dan 530.000. In de afgelopen tien jaar verdubbelde de oplage en de groei gaat, ondanks de economische recessie, onverminderd door. Ongeveer de helft van de oplage wordt in de Verenigde Staten verkocht en slechts 20 procent in het land van herkomst. The Economist is niet gebonden aan enige politieke partij. Het valt zelfs niet te zeggen of het blad links of rechts is. De beste karakteristiek is waarschijnlijk: radicaal liberaal. Die opstelling leidt meestal tot conservatieve standpunten in economische kwesties en soms tot zeer progressieve opvattingen over immateriële kwesties. Zo voert The Economist al jarenlang campagne voor de gecontroleerde legalisering van verdovende middelen. Vaker dan enige andere publicatie van vergelijkbare statuur kiest het blad voor onverwachte en tegendraadse standpunten. Direcht na de geruchtmakende publicatie van het Rapport van Rome schreef The Economist dat er van de voorspellingen in dit rapport niets deugde. Ten tijde van de paniek over de exploderende olieprijzen (1973, 1979) deelde de redactie de lezers geruststellend mede dat dergelijke prijsverhogingen automatisch zouden leiden tot verhoging van het aanbod en daling van het gebruik en vervolgens tot snel dalende prijzen. Eerder dan enig ander tijdschrift kondigde The Economist het komende economische succes van Japan aan. Deze voorbeelden willen bepaald niet zeggen dat het weekblad altijd gelijk heeft gekregen. Aan het begin van deze eeuw schreef de hoofdredacteur dat paard en wagen veel praktischer waren als vervoermiddel dan de auto.

Vorig jaar bestond The Economist, die voor het eerst verscheen in 1843, anderhalve eeuw. Ter gelegenheid van dat jubileum schreef Ruth Dudley Edwards The Persuit of Reason. The Economist, 1843-1993, een werk van immense omvang. Hoe informatief dit boek ook is, het is toch een gemiste kans. Men moet wel bijzonder geïnteresseerd zijn in de wederwaardigheden van The Economist, wil men bereid zijn er ruim duizend fors bemeten pagina's over te lezen. Een aanzienlijk beknopter boek was leesbaarder geweest en had toch zonder moeite de essentalia van de geschiedenis van dit weekblad kunnen beschrijven. Edwards vertoont ook de neiging de redacteuren en medewerkers die de revue passeren wel zeer bijzonder, zo niet op het geniale af te vinden. Nu geloof ik graag dat het niveau van de medewerkers van The Economist over het algemeen hoog is geweest, maar er moet toch in die 150 jaar wel eens een enkele broddelaar of oplichter op de redactie hebben gewerkt. Slechts terloops komt aan de orde dat een redacteur in de jaren dertig de cijfers wel eens zelf verzon als hij vreselijke haast had. Het geeft een zekere opluchting dat te vernemen.

De oprichter en eerste hoofdredacteur van The Economist was James Wilson, hoedenfabrikant en econoom. Als econoom was Wilson autodidact en daar was hij trots op. Van universiteiten en academische kennis had hij geen hoge dunk. Het is opvallend dat The Economist tot aan het begin van deze eeuw grotendeels werd geschreven door zeer geleerde autodidacten. Wilson had zijn naam gemaakt als pamflettist in de strijd voor de vrijhandel en de opheffing van de beruchte Corn Laws, die hoge heffingen legden op graan dat in Engeland werd geïmporteerd. Voor Wilson was het klassieke economische liberalisme, laissez-faire en vrijhandel tot elke prijs, de geopenbaarde waarheid. Zijn profeten waren allereerst Adam Smith en vervolgens in iets mindere mate David Ricardo, J. B. Say en James Mill.

De vroege Economist (de oplage in het eerste jaar was 1750 exemplaren) was een praktisch tijdschrift voor de zakenman, met wekelijkse prijslijsten van alle denkbare grondstoffen en materialen en tegelijkertijd een bewogen propagandablad voor het economisch liberalisme. Wilson meende dat een juiste analyse van alle feiten en cijfers die hij wekelijks afdrukte in alle gevallen het gelijk van het klassieke liberalisme onomstotelijk zou aantonen. Van zijn strenge interpretatie van het economisch liberalisme week hij nooit af. Toen een groot deel van de Ierse bevolking dreigde te verhongeren vanwege het aanhoudend mislukken van de aardappeloogsten vond Wilson dat wel erg naar, maar toch geen reden zijn principes op te geven. De economische gang van zaken moest haar loop hebben en de Ieren mochten niet door de Engelse overheid worden geholpen. Na zijn jammerlijke dood in Calcutta, waar hij bezig was de overheidsfinanciën van Brits Indië op orde te brengen, werd Wilson opgevolgd door zijn schoonzoon Walter Bagehot, econoom, bankier, essayist en literatuurcriticus; waarlijk een man die van alle markten thuis was. Van alle medewerkers van The Economist in de negentiende eeuw is Bagehot de enige die nog even leesbaar is als toen hij schreef.

Bagehot was veel minder streng in de economische leer dan zijn schoonvader. Hij begreep en aanvaardde dat de overheid een zekere rol moest spelen bij de oplossing van de maatschappelijke problemen die de industriële samenleving creëerde. Hoewel zelf een zeldzame sloddervos zag hij net als Wilson het grote belang van betrouwbaar statistisch materiaal voor de zakenman en de belegger. In een tijdperk waarin de overheid nog niets deed aan de systematische verzameling van cijfermateriaal over economie en samenleving was The Economist verreweg de betrouwbaarste leverancier van feiten en cijfers. Het was zelfs het eerste tijdschrift ter wereld dat een prijsindexcijfer publiceerde.

Ten aanzien van de buitenlandse politiek was Bagehot een uitgesproken liberaal. Van het Britse wereldrijk was hij in het geheel niet onder de indruk. Als het voordeliger was een tweederangs Europese mogendheid te zijn dan een wereldrijk te bezitten, moest direct voor het eerste worden gekozen. Naar zijn mening werden de kosten van het imperium onderschat en de opbrengsten overschat. The Economist bleef lang kritisch over elke vorm van oorlogvoering en verovering door de Engelse overheid. Twee decennia na Bagehot zag het weekblad niets in de Boerenoorlog en de toenmalige hoofdredacteur verzette zich twee jaar lang tegen de Engelse deelname aan de Eerste Wereldoorlog. Dat laatste standpunt vond de Raad van Toezicht zo excentriek dat de man op beleefde wijze werd ontslagen.

In de loop van de jaren dertig viel The Economist van zijn ultraliberale geloof, met uitzondering van het vrijhandelsprincipe. Ter bestrijding van de grote economische crisis achtte de redactie nu een industriepolitiek en een expansief werkgelegenheidsbeleid noodzakelijk. Dit proces van geloofsafval werd voortgezet in de jaren veertig. In 1943, precies honderd jaar na het eerste nummer, durfde de hoofdredacteur te schrijven dat het laissez-fairebeginsel op sterven na dood was. The Economist was nu zelfs voorstander van centrale economische planning. Als hij dat had kunnen lezen, zou James Wilson zich zonder twijfel enorm hebben opgewonden. The Economist van de jaren negentig zou hij echter weer met een zekere instemming kunnen lezen. Het weekblad is ondertussen volledig genezen van de, gezien zijn historische traditie, zo tegennatuurlijke opvattingen over industriepolitiek en planning.

De huidige Economist propageert weer de principes van het klassieke liberalisme, al gebeurt dat niet zo extreem, als in 1843. De overheid moet zorgen voor de ordehandhaving, voor goed onderwijs, een betrouwbare gezondheidszorg en een moderne infrastructuur en zich verder vooral nergens mee bemoeien. In de economie dient het competitiebeginsel onverkort te heersen. Subsidies voor landbouw en industrie zijn uit den boze en geprivilegieerde posities moeten worden afgebroken. De verzorgingsstaat moet zo verbouwd worden dat zij geen afhankelijkheid schept, maar zelfstandigheid. The Economist pleit nu voor een uitgesproken onsocialistische linkse opstelling, waarbij de politieke rechten en de persoonlijke vrijheid van het individu centraal staan. Zo bevindt The Economist zich in de aantrekkelijke positie dat het zich, met enige correcties, kan beroepen op de politieke en economische principes van haar beginjaren. Zij maakt niet graag gewag van het feit dat haar eigen redactie decennia lang niet naar die principes heeft geschreven.