Te bekomen bij uw warmoezenier

De tuinbouw is in grote problemen geraakt door stagnerende afzet en hoge gasprijzen. Consumenten willen geen gasverwarmde fabriekssla meer. Voor Nederland zijn er goede alternatieven: nieuwe gewassen die weinig verwarming nodig hebben.

De warmoezenier, de traditionele groentekweker, is in Nederland nagenoeg verdwenen. Zelfs het woord herinnert eerder aan Amsterdams rosse buurt (Warmoesstraat) dan aan bloemkool en peen. Terwijl het lage glas van de warmoezenier uitgroeide tot de warenhuizen voor de teelt van tomaten, komkommers en paprika's, is de warmoezerij zelf niet meer dan een hobby van de ruim een kwart miljoen Nederlanders, die er een moestuin op nahouden - vergeten door onderzoek en voorlichting.

Volgens tuinbouwkundige Gert Jan Jansen wordt het echter de hoogste tijd voor een herwaardering van de aloude moestuin. Nieuwe gewassen en nieuwe teelttechnieken vormen volgens hem een bron van alternatieven voor de vastlopende professionele tuinbouw. Jansen spreekt uit ervaring. Als directeur van tuinderij Xotus BV in Nootdorp heeft hij vele exotische gewassen in Nederland geïntroduceerd.

Zwaar verwarmd

De professionele tuinbouw heeft de laatste jaren zijn heil steeds meer gezocht in verhoging van de produktie per meter door allerlei technologische hoogstandjes. Met die geavanceerde technologie is de nadruk ook steeds meer komen te liggen op zwaar verwarmde teelten. Een ontwikkeling die zich nu wreekt. Jansen: 'Was het niet Adam Smith die zei, dat je de dingen daar moest kweken, waar het het goedkoopst kan. Dat je dus geen sinaasappelen in Schotland moet gaan telen. Die oude economische waarheid breekt ons nu op. De teelt van tomaten of paprika, lang houdbare vruchtgewassen die veel warmte vragen, kan per definitie veel goedkoper gebeuren in Spanje en Marokko, dan in Monster of in Bleiswijk.'

In de tuin achter zijn huis in Nootdorp heeft Jansen de afgelopen winters geexperimenteerd met groenten in een plastic boogkasje. Als we de resultaten eind maart bekijken, staan de rode en groene amsoi (uit China afkomstige bladkoolsoorten) er florissant bij. Een andere goedogende gast is een Chinese bladkool die in West-Europa zo onbekend is dat hij nog niet eens een naam heeft. In het Chinees heet hij 'Xue li hong', wat letterlijk 'stronk in de sneeuw' betekent. Dat geeft al aan dat de plant behoorlijk wat kou kan hebben.

Ondanks het late tijdstip, maart, is een aantal koolvarieteiten nog niet in bloei geschoten. Kool schiet meestal door na een koude-stoot als de dagen gaan lengen. De geringe schietgevoeligheid is een gunstige eigenschap, want doorgeschoten kool laat zich niet meer verkopen. Jansen: 'Voor mezelf vind ik het trouwens niet zo erg. De bloemen van amsoi en paksoi laten zich best smaken in sla en een bloem van boerenkool gefrituurd in olie is ook heel smakelijk.'

Naast verschillende soorten paksoi en amsoi heeft Jansen de afgelopen jaren geexperimenteerd met andere gewassen. Veel bladkolen, waaronder de uit Japan afkomstige mizuna, mibuna en komatsuna, maar ook klaroen, mosterd, stengelui en zelfs een eetbare chrysanth. Daarnaast heeft hij gekeken naar 'vergeten' Nederlandse groenten, zoals winterpostelein en veldsla. Ook wilde planten, zoals kraailook, veldkers en jonge berenklauwscheuten bleken een eetbaar alternatief.

Uit die speurtocht is een aantal variëteiten naar voren gekomen die het goed doen. Niet alleen in Jansens eigen tuin, maar ook in de kassen van Xotus en van enkele tuinders in de omgeving. Dergelijke varietieten noemt Jansen climax-cultures, naar analogie van het begrip climax-vegetatie in de ecologie. Een climax-cultuur is een varieteit, die optimaal is aangepast aan de Nederlandse teeltomstandigheden. Jansen: 'Je kunt denken aan climax-cultures voor koude grond, voor de plastic tunnel, voor de koude kas en voor de licht verwarmde kas. Daarbij zou je ook rekening moeten houden met verschillende jaargetijden.'

Een van de weinige professionele tuinders die verschillende van de genoemde gewassen, teelt is Cees van der Sman in Nootdorp. Naast paprika's vinden we in zijn kas diverse soorten kool, andijvie, wortels, snijbiet, koolrabi en natuurlijk paksoi. Een grote variatie, die Van der Sman, naar eigen zeggen behoedt voor de grillen van de markt. Bovendien is de vruchtwisseling goed voor de bodem. Met een organische stofgehalte van 28% zit Van der Sman tweemaal zo hoog als gebruikelijk op de veengrond van Nootdorp.

Van der Sman verdient per vierkante meter gemiddeld meer dan collega-tuinders. Voor een deel komt dat, doordat hij levert aan het 'biologische circuit'. De prijzen daar zijn gemiddeld een stuk hoger dan op de veiling. Dat is echter niet het hele verhaal. Voor een belangrijk deel zoekt Van der Sman het ook in besparing op kosten, met name stookkosten. Zo plant hij zijn paprika-plantjes niet in december, maar pas eind maart, drie maanden later. Dat betekent dat hij in de koudste maanden niet hoeft te stoken. Voor sommige vroege teelten, gebruikt hij bovendien niet altijd grondverwarming, maar maakt hij gebruik van de aloude broeivoor - een met stro of compost gevulde sleuf, waar het dankzij bacteriële activiteit lekker warm kan worden.

Etnische markt

De tegenwoordige moestuin is, volgens Jansen niet alleen een bron voor nieuwe tuinbouwgewassen, maar ook een inspiratiebron voor de ontwikkeling van andere teelttechnieken. Een daarvan is het selectief dunnen van gewassen. Jansen: 'Je begint met het zaaien op regels een paar centimeter van elkaar, zeg een centimeter of twee. Op een gegeven moment staan de plantjes te dicht op elkaar. Dan haal je er een of twee tussenuit. Tijdens de groei van het gewas doe je dat nog een paar keer tot de planten uiteindelijk op de gewenste afstand van bijvoorbeeld 25 centimeter staan. De plantjes die je uitdunt, kun je natuurlijk gewoon opeten.'

Het grote voordeel van selectief dunnen is dat de moestuinder optimaal gebruik maakt van het beschikbare licht. Centraal daarbij staat het begrip Leaf Area Index, ofwel het relatieve blad oppervlak van het gewas. Deze LAI is een getal dat aangeeft, hoeveel maal het blad een bepaald oppervlakte aan grond kan bedekken voor maximale produktie. In Nederland ligt die LAI op ongeveer 4 tot 4,5. Is die lager, dan wordt zonlicht niet optimaal benut. Is die hoger, dan krijgen de onderste bladeren te weinig licht en verkleuren ze. Jansen: 'Door selectief dunnen probeer je eigenlijk om de LAI vanaf het uitzaaien zo optimaal mogelijk te laten zijn.'

Het nadeel is natuurlijk dat de meeste moestuintechnieken, waaronder selectief dunnen, nogal bewerkelijk zijn. Daar zit een professionele tuinder als Cees van der Sman niet echt op te wachten. De biologische teelt is al arbeidsintensief genoeg en mensen zijn moeilijk te krijgen. Jansen erkent dat. 'Maar als een bepaalde teelttechniek eenmaal zijn nut heeft bewezen', zegt hij, 'dan is mechanisatie meestal slechts een kwestie van tijd.'

Zowel Van der Sman als Jansen's bedrijf Xotus telen voor een specifieke markt. Van de Sman voor het biologische circuit; Xotus voor de 'etnische' markt. De vraag is of je de reguliere consument ertoe kunt krijgen om bloemkoolscheuten te eten.

De gang van zaken rond een groente als aubergine stemt niet tot optimisme. Al jaren wordt daar veel reclame voor gemaakt, maar nog steeds koopt niet meer dan 13% van de Nederlanders weleens een aubergine. Aan de andere kant is de paprika, die tegelijkertijd met de aubergine werd geintroduceerd, wel uitgegroeid tot volksvoedsel.

Volgens Jansen is het verschil in acceptatie tussen paprika en aubergine niet alleen te verklaren uit smaakverschillen. Belangrijk is ook kennis van de bereidingswijze. Terwijl de paprika zich gemakkelijk laat inpassen in salades en chili-achtige 'prutjes', vraagt bereiding van de aubergine wat meer kennis. Jansen: 'Willen de nieuwe gewassen tot hun recht komen, dan moeten we de consument leren hoe hij ze klaar moet maken. Voor paksoi amsoi, kouseband en andere nieuwe bladgroenten geldt dat je ze vaak uitstekend kunt roerbakken. Ik denk dat een algemene promotiecampagne voor roerbakken meer uithaalt voor de afzet van nieuwe gewassen, dan een poster van een fraaie aubergine.'

Onbekendheid

Naast onbekendheid is een van de voornaamste hobbels voor de introduktie van nieuwe gewassen het grootschalige veilingsysteem. Daarbij worden groenten over grote afstanden getransporteerd om vermarkt te worden. Een systeem dat enorm veel logistieke kosten vraagt. Zo vormen transport, verpakking en sorteren soms wel 20% van de prijs die de tuinder voor zijn produkt krijgt.

Een bijkomend probleem is, dat de hele afzetstructuur ingericht op een uniform produkt. Jansen: 'Je kunt niet naar Albert Heijn gaan om een pond jonge paksoi te halen, die net is gedund. Als je al paksoi kunt kopen is het een standaardkrop.'

De grootste verandering voor de professionele tuinbouw ligt volgens Jansen dan ook niet in de gewassen of teelttechnieken, maar in het verkleinen van de afstand tussen consument en producent. Jansen: 'Vroeger ging de tuinder een of twee keer met zijn hondekar of platbodem naar de markt. Ik geloof niet dat we die kant weer op moeten. Wel vind ik, dat elke stad weer zijn eigen veiling of boerenmarkt zou moeten krijgen.' Een markt waar de warmoezenier zijn waren kan aanbieden; van paksoi-dunsel tot klaroentoppen.