Ravenna neemt fraude bedrijfstop onder de loep

RAVENNA, 9 JUNI. In een sfeerloos blok beton met ramen aan de rand van de provinciestad Ravenna zoekt de justitie naar antwoord op de vraag of, en zo ja in hoeverre, Italiaanse topondernemers vergelijkbaar zijn met misdadigers.

Dit moderne Paleis van Justitie is het hart van de economische kant van de smeergeldonderzoeken. De corruptie-affaires hebben aan het licht gebracht dat grote bedrijven tientallen miljoenen guldens in geheime fondsen hebben, die nergens terug te vinden zijn in de boeken. Soms is dat geld gebruikt voor smeergeld, soms voor de Ferrari van de baas en de juwelen van zijn vrouw.

De familie-Ferruzzi heeft hier zo'n systeem van gemaakt dat officier van justitie Francesco Mauro Iacoviello haar heeft aangeklaagd wegens misdadige samenzwering. Ferruzzi was tot vorig jaar de tweede industriële groep van Italië. Nu is de standing van het bedrijf onzeker omdat het dreigt te bezwijken onder zijn enorme schuldenlast.

Het onderzoek naar de financiële malversaties binnen de Ferruzzi-groep loopt nog steeds. Onlangs zorgde Iacoviello, een 44-jarige officier van justitie die bekend staat als bijzonder scrupuleus en de publiciteit vermijdt, opnieuw voor opschudding. Hij stuurde de Guardia di finanza, de financiële recherche, naar de kantoren in Milaan van Mediobanca, de belangrijkste handelsbank in Italië en de spin in het web van de belangrijkste economische allianties. Iacoviello kan hiermee voor ondernemers worden wat zijn veel beroemdere Milanese collega Antonio Di Pietro voor de politici is geweest: de man die een corrupte systeem heeft ontmaskerd en daarmee de val heeft bezegeld van het oude politieke bestel.

“In Milaan is er een politieke draai gegeven aan het onderzoek,” zegt een bron binnen het openbaar ministerie in Ravenna die niet met naam geciteerd wil worden. “Zij hebben zich geconcentreerd op corruptie en op de verborgen financiering met steekpenningen van politieke partijen. Wij hebben hier in Ravenna een meer economische invalshoek genomen. Wat ons vooral interesseert is de vraag hoe de verborgen reserves zijn gevormd waarmee de steekpenningen worden betaald.”

Topondernemers als Gianni Agnelli en Cesare Romiti van Fiat en Carlo De Benedetti van Olivetti hebben als verweer steeds gezegd dat zij gedwongen waren te betalen, omdat dit de gewoonte was en om hun bedrijf niet in gevaar te brengen. Het justitiële onderzoek in Ravenna, waar Ferruzzi haar hoofdkwartier had, laat vooralsnog in het midden of dat een juiste voorstelling van zaken is, al wordt aangetekend dat Italiaanse topondernemers in ieder geval in het oude bestel vrijwel dagelijks contact hadden met de politieke top. Maar de politieke kant, de steekpenningen die Ferruzzi aan partijen heeft betaald in de Enimont-affaire, het grootste corruptieschandaal, is overgelaten aan Milaan. Ravenna neemt het optreden van de belangrijkste economische machthebbers onder de loep.

Bij het Ferruzzi-concern is aan het licht gekomen dat er buiten de officiële bedrijfsstructuur een parallelle structuur was van off shore bedrijven, die is gebruikt voor financiële transacties die het daglicht niet konden verdragen. Twee belangrijke middelen werden daarbij gebruikt om geld door te sluizen: valse facturen en fraude met swap-contracten, de aankoop van valuta op termijn. Die contracten kregen vaak een oude dagtekening, zodat de fictieve koerswinsten of -verliezen naar eigen voorkeur konden worden geboekt. De justitie van Ravenna vermoedt dat dit systeem niet alleen is gebruikt ten bate van de groep, maar ook is benut om geld van de groep naar de familie Ferruzzi te sluizen.

“Ik geloof niet dat de Ferruzzi-groep zich wat dit betreft onderscheidt van de andere grote bedrijven,” zegt de bron binnen het openbaar ministerie. “Zo zit het Italiaanse kapitalisme nu eenmaal in elkaar.”

Waarom is er dan niets boven water gekomen over Fiat of over Olivetti? De justitie in Ravenna wil zich niet bemoeien met het werk van haar collega's in Turijn, heeft daar ook weinig contact mee. “Hier was het natuurlijk iets makkelijker, omdat de hele groep uit elkaar is gevallen. Alle rivaliteiten en vijandschappen tussen functionarissen binnen Ferruzzi komen nu naar voren. Als je nog belangen hebt binnen een groep, ben je terughoudend. Maar als je op straat bent gezet, zal je alle informatie geven. Zoekend naar mensen op de goede plaats zijn we bij belangrijke documenten gekomen.”

Carlo Sama, voormalig managing director van Ferruzzi, gaat een flinke stap verder. Iedereen heeft geheime fondsen, zegt hij in een recent interview met het weekblad Panorama. “Wij zijn de zondebok. De Ferruzzi's zijn opgeofferd op het altaar van het vaderland. De rechters konden niet de verantwoordelijkheid nemen om Fiat of Olivetti, Agnelli of De Benedetti in een hoek te drukken. Het was voldoende het voorbeeld te geven met de Ferruzzi's.”

Sama is nu in de tegenaanval gegaan. Hij heeft officier van justitie Iacoviello verteld dat Mediobanca precies wist wat er bij Ferruzzi gebeurde. Volgens Sama heeft Mediobanca bewust aangestuurrd op de instorting van de groep en een eerste reddingsplan tegengehouden, om daarna met een groep bevriende banken het concern feitelijk onder curatele te stellen. Op de achtergrond hierbij speelt oude animositeit tussen Ferruzzi en Enrico Cuccia, de 85-jarige ere-voorzitter van Mediobanca en nog steeds de macht achter de schermen.

Naar aanleiding van deze beschuldigingen heeft Iacoviello de politie naar Mediobanca gestuurd om daar te zoeken naar documenten hierover. Volgens berichten in de Italiaanse pers heeft de politie gevonden waarnaar zij zocht. Er wordt nu gespeculeerd op een aanklacht tegen de top van Mediobanca.

Het onderzoek van de justitie in Ravenna is minder spectaculair dan dat van haar collega's in Milaan. Het trekt ook minder de aandacht omdat er bij het publiek een zekere vermoeidheid merkbaar is over alle malversaties en misstanden die aan het licht komen. Bovendien is de macht van ondernemers om zich te verweren nog bijzonder groot. Maar Iacoviello heeft beloofd dat hij zich niet laat afschrikken, en blijft zoeken naar het antwoord op de vraag in hoeverre het tot corruptie gedegenereerde oude politieke bestel een economische component had.