Opgegraven resten Richardson geven inzicht in ziekte

De Britse schrijver Samuel Richardson (1689-1761) staat in elke literatuurgeschiedenis te boek als een belangrijke grondlegger van de roman als literair genre. De auteur dankt zijn roem aan de zeer lijvige brievenromans Pamela en Clarissa, die nog steeds in druk zijn.

Het is bekend dat Richardson aan het eind van zijn leven veelvuldig klaagde over zijn gezondheid. Dit blijkt uit brieven die hij schreef aan zijn arts George Cheyne. Richardson maakt hierin gewag van ernstige pijn aan zijn ledematen, gebit en en gewrichten.

Beschouwde Cheyne zijn patiënt als een typische 'hypochonder', latere commentatoren zagen de symptomen als tekenen van de ziekte van Parkinson. En in de Encyclopaedia Britannica worden zijn 'nerveuze kwalen' in verband gebracht met het verlies van zijn tweede vrouw en andere naasten.

Die speculaties kunnen nu terzijde worden geschoven, sinds een Britse anatoom de beenderen van Richardson aan een onderzoek heeft onderworpen. Het skelet van Richardson werd twee jaar geleden bij toeval ontdekt. Het bevond zich in een verzameling van 200 gelabelde lijkkisten, afkomstig van de Londense St. Bride's Church nabij Fleet Street, waar de schrijver in 1761 was begraven. De kerk werd in de Tweede Wereldoorlog tijdens een bombardement verwoest en de resten werden voor toekomstig onderzoek terzijde gezet. Pas twee jaar geleden realiseerde men zich dat onder de overblijfselen zich die van Richardson bevond.

Anatome Louise Scheuer van de Royal Free Hospital School of Medicine in Londen heeft het skelet van Richardson aandachtig onderzocht. In het nieuwste nummer van de Journal of the Royal Society of Medicine geeft zij de juiste diagnose van zijn ziekte: diffuse ideopathische hyperostose. Deze aandoening wordt gekenmerkt door overmatige botgroei in skelet en gewrichten, in het bijzonder op bekken, voeten, knieën en ellebogen.

Het bezit van zowel de correspondentie als de beenderen bood, aldus Scheuer, een unieke mogelijkheid om de oorzaak van Richardsons symptomen na zoveel tijd nog te achterhalen. Zo deelde de schrijver in een brief uit 1755 mee dat het schrijven hem pijnlijk viel, zodanig dat hij er vaak helemaal niet toe in staat was. Scheuer kon bevestigen dat deze klacht gegrond was: op een van de botten van de rechterhand ontdekte zij een bijzonder groot uitgroeisel, dat 'ongetwijfeld de strekking van zijn pols heeft beperkt'. (New Scientist, 28 mei).