Laarzen

Tweemaal per week help ik mijn buurjongetje Jetse met zijn huiswerk. Hij is dertien, groter dan ik en heeft dijen die, net als de dikke poten bij een jonge hond, aangeven dat hij nog een heel eind moet groeien. Zijn dikke blonde krullen zijn volgens de laatste mode geknipt en hij draagt een ringetje door een oor.

“Wat vind jij mooier?” vraagt hij, terwijl hij zijn hoofd voor de spiegel draait en zijn haar in een andere dan de natuurlijke vorm probeert te duwen. “Zo? Of zo?” Omdat ik geen verschil zie, zeg ik dat ik het allebei even mooi vind staan. Maar dat is geen antwoord. “Zeggen!” gebiedt hij. “Zo? Of zo?” Ik blijf erbij dat ik niet kan kiezen.

Hij loopt naar de kast in zijn kamertje. “Niet kijken”, zegt hij. Ik hoor hem zijn schoenen uitschoppen en met papier knisperen. “Kijk maar!” Hij staat in nieuwe, bruin leren laarzen met Texas-hakken, glimmend koperbeslag en koperen gespen.

“Tjé . . .”, zeg ik vol bewondering. De laarzen hebben hem gemetamorfoseerd. Hij heeft de trotse houding van een supercowboy die niet alleen alle paardendieven, maar ook de sheriff in zijn zak heeft. Onverschillig en hautain rust zijn blik op mij. Toegeeflijk tilt hij een voet op om mij zijn laars te laten bewonderen. Ik buig mij voorover, rinkel met de goudkleurige gespen en snuif de geur van het leer op. “Lekker hè?” valt hij even uit zijn rol. “Ja, lekker”, zeg ik. “En het staat je zo goed. Je lijkt wel vijf jaar ouder. Je bent ineens een man.” Hij bloost van plezier en streelt het koperbeslag. “Ze hadden ze ook in zilverkleur”, zegt hij. “Die vond mijn moeder mooier. Maar ik wou deze. Goud!”

Zonder met zijn hoofd tegen de plafondlamp te botsen, stapt hij in zijn kamertje heen en weer.

Dan ziet hij tussen de schriften op zijn bureautje een foto van zichzelf liggen. Met een kreet van afschuw pakt hij het kiekje, reikt het mij met afgewend hoofd aan en vraagt om commentaar. De laarzen zijn vergeten. Hij is weer dertien. Ik bekijk het portretje en zeg dat het een leuke foto is. “Leuk?” vraagt hij. “Noem jij dat leuk? Je kíjkt niet goed. Maar kíjk dan! Mijn haar! Achterlijk toch?”