KNAP MAAR NU VERGETEN

Lieske Tibbe. R.N. Roland Holst 1868-1938. Arbeid en schoonheid vereend. Amsterdam, 1994. Architectura & Natura, 476 p. ƒ 95,-. Promotie Vrije Universiteit, Amsterdam, 31 mei. Promotor Prof.dr. C. Blotkamp.

Paul Huys Janssen. Jan van Bijlert (1597/98-1671) Schilder in Utrecht. Promotie Universiteit Utrecht, 10 juni. Promotor Prof. E. de Jongh. 360 p.

Roland Holst en Van Bijlert hebben behalve bijna tegelijkertijd promoverende biografen nauwelijks meer met elkaar gemeen dan dat maar heel weinig mensen vertrouwd zullen zijn met hun werk. Zonder er op te letten wordt het werk van Roland Holst wel door veel mensen gezien: hij maakte grote glas-in-loodramen voor de Utrechtse Domkerk, het Amsterdamsch Lyceum en de postkantoren van Haarlem en Utrecht. Voor de Beurs van Berlage maakte hij wandschilderingen en hij was in belangrijke mate verantwoordelijk voor het decoratieprogramma van het vakbondspaleis van de Diamantbewerkersbond. Aan de schilderijen van Van Bijlert - in Nederland alleen in het Centraal Museum in Utrecht goed vertegenwoordigd - lopen de meeste museumbezoekers achteloos voorbij. Hij was een 'kleine' meester en zijn werk heeft te weinig persoonlijkheid om zich in het oog vallend te kunnen handhaven naast dat van Hendrick ter Brugghen of Gerard van Honthorst. En ach, ook deze beide grootmeesters van het Utrechtse Caravaggisme worden inmiddels door kunsthistorici wel weer zeer gewaardeerd, maar bij het grote publiek zijn zij toch hoogstens nog als straatnaam bekend.

Roland Holst heeft zeker nooit van Van Bijlert gehoord en hij zou voor zijn werk ook geen belangstelling hebben gehad. Van Bijlert was al in alle opzichten het soort schilder dat 'draagbare', verplaatsbare, gemakkelijk te begrijpen en uiterst verhandelbare kunst maakte. Kundig gemaakt, maar oppervlakkig van inhoud en bepaald door ook in de zeventiende eeuw al conventionele beelden en symbolen. Hoewel zelf als jonge man nog met schilderen begonnen in de trant van de Nederlandse impressionisten, distantieerde Roland Holst zich al vrij snel van dit werk (dat hij voor een belangrijk deel ook zelf vernietigde) om als het ware over de eeuwen van 'vrije' en individualistische schilderkunst terug te grijpen naar de 'dienende' kunst van de Middeleeuwen. In de Middeleeuwse kunst, met name in het werk van Giotto, zag Roland Holst zijn ideaal van een nauw met de samenleving verbonden en een door een gemeenschappelijke levensbeschouwing verbindende kunst gerealiseerd. Die kunst drukte zich niet uit in voor particulier eigendom bedoelde en op een persoonlijke smaak appellerende produkten, maar in wandschilderingen, gebrandschilderde ramen, monumentale beeldhouwwerken en openbare gebouwen. Zij symboliseerden het gemeenschapsgevoel, maar brachten het tegelijkertijd ook op een hoger plan door op esthetische wijze vorm te geven aan maatschappelijke idealen en wezenlijke menselijke waarden.

Ik vond het wel aardig om deze twee proefschriften eens naast elkaar te plaatsen, omdat ze binnen het kader van de Nederlandse kunstgeschiedenis en voor een belangrijk deel in de vorm van een biografie, op heel verschillende wijze aan wel heel verschillende kunstenaars aandacht geven. Het proefschrift van Paul Huys Janssen ziet er op het eerste gezicht heel traditioneel uit: een plaatsbepaling van Van Bijlert binnen de Utrechtse school, een poging om op basis van archiefstukken tot de reconstructie van zijn levensloop te komen, gevolgd door een algemene bespreking van zijn werk en - het belangrijkste - afgesloten met een beredeneerde catalogus van zijn werk (ruim 180 schilderijen). Spectaculair zijn de resultaten niet. Van Bijlert was ook in zijn eigen tijd geen belangrijke schilder, heeft geen enkel egodocument nagelaten en zich ook maar zelden aan uitzonderlijke onderwerpen gewaagd of bijzondere opdrachten gekregen. We houden het beeld over van een zeer verdienstelijk schilderende, redelijk welgestelde en maatschappelijk goed geïntegreerde Utrechtse burger.

Iets minder traditioneel wordt de aanpak van Huys Janssen al, wanneer we ons realiseren dat de aandacht voor een meester als Jan van Bijlert past in de herwaardering van vooral in de negentiende eeuw als onhollands en academisch afgedane stromingen en thema's in de schilderkunst van de zeventiende eeuw. De schilderkunst van de Gouden Eeuw is in de ogen van het grote publiek toch nogal bruin, een beetje impressionistisch en vooral (klein) burgerlijk. De charme van een meer academische en bestudeerde stijl, met een voorkeur voor heldere kleuren, scherpe contouren, historiserende voorstellingen en een vertoon van weelde wordt pas de laatste jaren weer gevoeld, vooral dankzij grote tentoonstellingen (de Leidse fijnschilders, de Utrechtse Caravaggisten en 'italianisanten', 'De dageraad van de Gouden Eeuw' onlangs in het Rijksmuseum) en opvallende aankopen (het prachtige genreportret van Caesar van Everdingen dat het Rijksmuseum onlangs verwierf, echt een topstuk). Je zou ook kunnen zeggen dat het beeld niet alleen historisch correcter wordt, maar tegelijkertijd ook wat meer gecorrigeerd wordt naar de moderne smaak. Rembrandt past daar steeds moeilijker bij, zoals de laatste Rembrandt-tentoonstelling naar mijn idee overtuigend heeft laten zien.

Modern is de aanpak van Huys Janssen door de inmiddels lichtere nadruk op de iconologie en de juist wat grotere nadruk op archiefonderzoek en op de vraag wie de opdrachtgevers van Van Bijlert waren, wat de prijzen voor zijn werk waren, wie er in zijn atelier werkten en welke maatschappelijke positie hij in Utrecht innam. In juni promoveert in Utrecht Marten Jan Bok op de kunstmarkt in de zestiende en zeventiende eeuw. Ik heb zijn proefschrift nog niet gezien, maar op grond van zijn eerdere publikaties mag verwacht worden dat ook hier het accent zal liggen op het archiefonderzoek en zeker ook op de vraag naar de economische waarde en betekenis van kunst in een jong-kapitalistische samenleving (het onderwerp alleen al zou Roland Holst een gruwel geweest zijn!).

Vreemd en ouderwets vind ik aan het proefschrift van Huys Janssen het volledig ontbreken van iedere verantwoording van de samenstelling van de oeuvrecatalogus. Op welke gronden worden welke werken nu wel en niet opgenomen, hoe zwaar wegen de verschillende beoordelingscriteria, heeft hij zelf de in aanmerking komende schilderijen kunnen onderzoeken - mijn indruk is meestal niet - of zich moeten beperken tot foto's en door anderen gemaakte toeschrijvingen?

Het proefschrift van Lieske Tibbe bevat geen oeuvrecatalogus en zelfs nauwelijks een systematische levensloop. Waar Huys Janssen nog met een mooi zelfportret van Jan van Bijlert voor de dag weet te komen, moeten we het in dit overigens mooi verzorgde proefschrift met een paar wazige kiekjes uit het familiealbum stellen.

Dat past ook wel bij haar benadering. Van Roland Holst wordt vooral een artistiek-intellectuele biografie gegeven, beter gezegd, de ontwikkeling van Roland Holst als kunstenaar, intellectueel en socialist wordt beschreven en verklaard vanuit de invloed van de mensen die hem omringden en de boeken die hij las. Dat klinkt eenvoudiger dan het is, want Roland Holst was getrouwd met de toen grote en invloedrijke dichter Henriette van der Schalk, een prominente socialist bovendien, en bevriend met Herman Gorter, Jan Veth, Johan Huizinga, Berlage, Wibaut, Polak en vele, vele anderen uit de politieke en culturele elite tussen 1890 en de Tweede Wereldoorlog. Hij had uiteraard een uitgebreide bibliotheek, voerde een intensieve correspondentie met vele collega's en publiceerde veel, kritieken, essays, filosofische en politieke verhandelingen, beschouwingen en ook lesmateriaal. Alles in een zeer verzorgde stijl met duidelijk literaire aspiraties.

De intellectuele biografie van zo iemand te schrijven is geen eenvoudige opgave. Er zijn niet alleen eerder teveel dan te weinig bronnen, maar ook - althans zo zie ik dat - spreekt zo weinig van het ideeëngoed van Roland Holst nog aan. Veel is zelfs onbegrijpelijk geworden. Wie kan er nog wat met dat verlangen naar een gemeenschapskunst, naar een dienende, decoratieve en symbolische kunst, die een verbinding van arbeid en schoonheid nastreeft op een manier, die met het nazi-classicisme of het latere socialistische realisme toch niets te maken heeft en er tegelijkertijd op een verfijndere manier toch aan herinnert? Veel van het werk van Holst heeft voor mij die vreemde kwaliteit die ook de Beurs van Berlage heeft: het is op een afwerende manier mooi. Aan de Damrakzijde heb ik altijd het gevoel dat het gebouw me van de stoep afduwt. Op Holst's monumentale muurschilderingen en ramen ketst de blik af, het is idee-kunst, knap bedacht, nog knapper gemaakt, maar koud en op geen enkele manier herinnerend aan de fresco's van Giotto, de romantische beschrijvingen van Ruskin of de opvattingen van William Morris, waar Roland Holst zo door is beïnvloed.

Richard ('Rik') Roland Holst is in de Nederlandse kunstgeschiedenis een unieke verschijning geweest. Een aristocraat die zich ook daadwerkelijk voor arbeiders heeft ingezet, een fundraiser avant la lettre die zijn hele leven financieel onafhankelijk is geweest, een fel bestrijder van de officiële kunstwereld die zijn pensioen haalde als succesvol directeur van de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten, een man met een afkeer van luxe en tegelijkertijd bewoner van een door Berlage ontworpen villa in Laren, een zoeker naar de rust van de natuur die ook altijd een stadsmens is gebleven, een begaafd kunstenaar die toch altijd in de schaduw van zijn veel beroemdere vrouw is blijven staan.

Hun beider kunst is nu vergeten, in ieder geval ongelezen en ongenoten, en de kansen voor een herwaardering sla ik niet erg hoog aan. Dat is geen verwijt aan Lieske Tibbe, het was haar daar ook helemaal niet om te doen. Wat haar meer dan goed gelukt is, is het schrijven van een uitzonderlijk breed opgezette, voortreffelijk gedocumenteerde en verrassende biografie van een kunstenaar die zijn talent te veel de dienaar heeft willen laten zijn van zijn intellect.