Industriefonds nuttig?

Het kersverse Industriefonds dat kansrijke Nederlandse bedrijven een eindje op weg moet helpen met hun expansiefinanciering dreigt ingehaald te worden door de omstandigheden. Want Nederlandse bedrijven trekken inmiddels op grote schaal nieuw vermogen aan op de kapitaalmarkt, zo bleek onlangs uit cijfers van de Amsterdamse effectenbeurs. Océ-van der Grinten, de fabrikant van kopieerapparaten uit Venlo, is in de schaduw van de beursgang van KPN de laatste in de rij kapitaalvragers.

Océ - bijna 12.000 werknemers en een beurswaarde van ruim 1,2 miljard gulden - plaatste een achtergestelde lening van 150 miljoen gulden die omwisselbaar is in aandelen. Drie maanden geleden was Océ tevens het eerste bedrijf dat geld kreeg uit het Industriefonds, een financieringsfaciliteit die in het leven is geroepen is door minister Andriessen van economische zaken. De timing van de bekendmaking was niet toevallig: vlak voor het nationale economiedebat dat de minister had geëntameerd.

Océ kreeg 50 miljoen gulden, het maximale bedrag. Het geld is bestemd voor de ontwikkeling van een nieuwe generatie kopieerapparaten. Het moet op marktconforme voorwaarden beschikbaar worden gesteld, anders steigert de Europese Commissie, die directe staatssteun wil terugdringen. De 50 miljoen is gegoten in de vorm van een tienjarige lening met relatief lage vaste rente (Océ wil niet kwijt hoe laag) en een rente-opslag die gekoppeld is aan een meetbare prestatie, zoals de verkoop van kopieerapparaat of aantallen kopieën.

De gang naar de kapitaalmarkt doet de vraag rijzen of Océ wel in aanmerking had mogen komen voor een financiële bijdrage uit het Industriefonds. Bij de lancering van het fonds zette minister Andriessen uiteen dat bedrijven aan drie voorwaarden moeten voldoen. Zij moeten de kern vormen van een cluster van hoogwaardige activiteiten op het gebied van technologie, werkgelegenheid en kennisinfrastructuur. Het moeten in de kern gezonde en goed geleide ondernemingen met toekomstperspectief zijn, blijkend uit het vertrouwen van particuliere financiers. En “zij hebben onvoldoende mogelijkheden om met behoud van het eigen karakter van het bedrijf risicodragend kapitaal aan te trekken via de markt en het bestaande overheidsinstrumentarium”.

Deze drie voorwaarden moesten de particuliere financiers van het fonds ervan overtuigen dat er geen sprake zou zijn van stroppenfinanciering en verkapte steunoperaties om werkgelegenheid te redden. Het fonds heeft 27 aandeelhouders die per project hun bijdrage leveren. De overheid heeft 200 miljoen toegezegd, de grote banken en verzekeraars beiden ook 200 miljoen. Verder doen pensioenfondsen als ABP en PGGM mee. Het fonds wordt beheerd door de Nationale Investeringsbank (NIB), die zelf ook bij elke investering (voor eigen rekening en risico) voor 10 procent meedoet.

In een poging om de knelpunten op de markt voor risicokapitaal op te heffen komt de Nederlandse overheid van tijd tot tijd met nieuwe initiatieven. Aan het begin van de jaren tachtig, toen Nederland door een diep economisch dal ging, was er een luide roep om risicokapitaal voor investerings- en werkgelegenheidsgroei. Daarvoor werd de Maatschappij voor Industriële Projecten (MIP) in het leven geroepen. De deelnemers van toen zijn identiek aan die van het Industriefonds nu. En tegen de tijd dat de MIP in de loop van 1984 op stoom kwam, verkeerde de effectenbeurs in een juichende stemming en was er volop particulier kapitaal beschikbaar. Maar ook toen was Océ haantje de voorste: een van de eerste projecten van de MIP was een investering van bijna 50 miljoen in een joint-venture om de Amerikaanse markt open te breken. De bijdrage van de MIP, die inmiddels in handen is gekomen van een gewone, particuliere participatiemaatschappij, en het Industriefonds illustreren de intensieve financieringsrelatie tussen Océ en de overheid.

Dezelfde handicap die de MIP parten speelde, bedreigt nu het Industriefonds. Tegen de tijd dat de overheid een knelpunt als zodanig heeft herkend, de beleidsaanpassing heeft gestart, het overleg heeft gevoerd en uiteindelijk de besluiten neemt, is er zoveel tijd verstreken, dat de financiële markten zich hebben aangepast.